Bewijs het maar

In de meeste procedures draait het allereerst om het verzamelen van feiten. Wat is er écht aan de hand? Partijen doen dat, de rechter op zijn of haar manier ook. Vervolgens speelt in de regel de vraag of de feiten ook te bewijzen zijn. Die vastgestelde feiten worden vervolgens in een juridisch sjabloon gevat. Daarin zit vaker dan wellicht gedacht het verschil tussen recht hebben en recht halen. Voor buitenstaanders is het soms onnavolgbaar hoe de verschillende rechters met bewijs omgaan. In het bestuursrecht kan dat een heel ander spoor volgen dan bij de burgerlijke rechter. Een recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter levert daarvan het bewijs.

Bibob revisited

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees de bedoelde uitspraak met zaaknummer 201104679/1/A3 op 25 april 2012 (LJN: BW3870). Recent verscheen de publicatie met een noot van J.L. Verbeek in het vaktijdschrift Gemeentestem (Gst. 2012/1040). De uitspraak is niet alleen lezenswaardig omdat het de toetsing van Bibob zaken aanscherpt. Daarover schreef ik eerder al eens blogs, waaronder “Bibob, de inktvlek”. Wat ik in deze blog zou willen aanstippen is de manier waarop in het bestuursrecht met bewijs en bewijslevering wordt omgegaan.

Wie stelt, bewijst?

De Afdeling toetst, of liever: weegt, de door partijen naar voren gebrachte stellingen en het daarvoor aangedragen bewijsmateriaal in onderlinge samenhang. In het bestuursprocesrecht wordt niet het civielrechtelijke scharnierpunt van de stelplicht gevolgd. Zoals de annotator Verbeek, senior-rechter in Den Haag, ook mooi aangeeft, is beslissend voor de uitkomst wiens versie van de feiten het best gemotiveerd (dat wil zeggen: beargumenteerd en met bewijs gestaafd) is. Het kan dan wellicht als onhandig worden bestempeld dat de burgemeester niet op de zitting is verschenen. Feiten moeten – waar nodig – immers ook weersproken of aangevuld worden en ook op de zitting gaat de bewijsvoering volop door, ongeacht de fuiken die procederen in het bestuursrecht ook kent.