Bijdrage in de kosten voor 18 tot 21 jarigen, het blijft moeilijk
Bijdrage in de kosten voor 18 tot 21 jarigen, het blijft moeilijk

Bijdrage in de kosten voor 18 tot 21 jarigen, het blijft moeilijk

De rechter kan vastleggen dat, als een kind de leeftijd van 18 jaar bereikt, een ouder voor een kind een bijdrage dient te betalen tot dat het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Als het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt, hoeft er dus geen nieuwe beoordeling van het te betalen bedrag plaats te vinden.

Vaststellen bijdrage voor kinderen jonger dan 18

Voor het vaststellen van een bijdrage voor een kind jonger dan 18 jaar, is een systeem ontwikkeld op basis waarvan vastgesteld kan worden wat de behoefte van het kind is (afhankelijk van het inkomen van de beide ouders ten tijde van het laatste jaar van samenwoning). Vervolgens kan door een berekening worden vastgesteld wat elke ouder aan die behoefte van het minderjarige kind moet bijbetalen.

18 jaar of ouder

Voor het vaststellen van de bijdrage voor een kind dat de leeftijd van 18 jaar of ouder reeds heeft bereikt blijft het moeilijk. In de wet ligt vast dat voor ouders van jong-meerderjarigen (18-21 jaar) een onderhoudsverplichting kan worden vastgesteld ongeacht hun behoeftigheid. Onder behoeftigheid verstaan we de eis in hoeverre iemand in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Die vraag naar behoeftigheid moet dus bij vaststelling van een bijdrage voor een jong-meerderjarige niet worden gesteld.

Een praktijkvoorbeeld

In een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden verzocht de vader een verlaging van de bijdrage voor zijn jong-meerderjarige dochter. De rechtbank stelde de bijdrage vast op € 50,– per maand. De dochter ging in hoger beroep. Zij stelt dat haar behoefte vastgesteld dient te worden aan de hand van de WSF-norm en inkomsten, en op grond daarvan bedraagt haar behoefte € 418,– per maand in 2014. De vader stelt dat de behoefte vastgesteld dient te worden aan de hand van haar werkelijke behoefte, haar daadwerkelijke kosten, en dat de dochter daarvan een overzicht heeft dienen te verschaffen. Bovendien, zo stelt vader, heeft dochter niet aangetoond dat zij zelf deze kosten moet maken voor haar studie en levensonderhoud. Hij stelt dat, omdat de dochter nog bij haar moeder woont, er een aftrek dient plaats te vinden van het WSF bedrag van € 418,– van € 150,– voor kost en inwoning.  Ook stelt hij dat in mindering op het bedrag dient te komen, haar eigen verdiensten, haar spaarvermogen, zorgtoeslag en de basisbeurs.

Conclusie

De conclusie van vader luidt dat er geen behoefte is aan een onderhoudsbijdrage van hem. Het Hof stelt vast dat de dochter een MBO studie volgt en thuis woont.  In de WSF norm zijn kosten opgenomen voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten. Het Hof stelt dat de dochter geen overzicht van haar daadwerkelijke kosten dient in te brengen in de procedure. Dat moeder wellicht kosten voor de dochter betaalt, acht het Hof niet van belang daar de onderhoudsverplichting van beide ouders van gelijke rangorde is. Met andere woorden, de moeder moet niet eerst bijdragen en vervolgens de vader. Ouders zijn in deze gelijk. De WSF norm voor thuiswonende MBO-studenten bedraagt in 2014 € 577,65. Op die norm dienen de basisbeurs, een eventuele aanvullende beurs en de zorgtoeslag in mindering gebracht te worden, deze ontvangt de jong-meerderjarige immers. Dan komt de dochter op een bedrag van € 418,– per maand. Overige eigen inkomsten van de jong-meerderjarige worden ontkend, en zij hoeft ook niet aan te tonen dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Overigens merk ik hier op dat, mocht de dochter wel zelf een redelijk maandinkomen verdienen, dit wel van belang zou kunnen zijn. Een baantje van een paar uur per week bij bijvoorbeeld een supermarkt, zal hier niet onder vallen. De vader voert nog aan dat de dochter een vermogen heeft waaruit zij haar levensonderhoud kan betalen.  Het Hof zegt over het vermogen dat geen sprake is van relevant vermogen (ongeveer € 5.000,–), maar dat het ook niet redelijk is van de dochter te verlangen dat zij dat vermogen aanwendt voor haar levensonderhoud. Dit geldt te meer (ten overvloede) daar vader zelf over een aanzienlijk vermogen beschikt.

Ondanks dat deze uitspraak enige duidelijkheid schept, blijft de bijdrage vaststellen voor deze leeftijdscategorie niet eenvoudig. Heeft u een vraag? Ik help u graag verder.