Corporaties weer op de Europese agenda

Over de financiering van corporaties is het laatste woord nog niet gezegd. Het algemene stelsel van steunmaatregelen voor woningcorporaties is bij de Europese Commissie niet zonder slag of stoot geaccepteerd. De verenigbaarheid van het nieuwe stelsel voor financiering van de woningcorporaties is nog steeds onderwerp van rechtszaken in Luxemburg, al sudderde dat wat na. Het is immers niet zomaar mogelijk in Luxemburg bij de Europese rechters aan te kloppen met een verwijt dat de Europese Commissie een onjuist besluit heeft genomen. Zeker niet als dat besluit zich niet rechtstreeks tot een belanghebbende richt. Feitelijk is dan geen sprake meer van een belang. In een recente conclusie adviseert de advocaat-generaal Wathelet het Hof van Justitie dat een groep woningcorporaties wél belang heeft bij een rechtsgang, hoewel het bestreden besluit niet rechtsreeks tot hen was gericht. Hiermee lijkt de financiering van de Nederlandse corporaties toch weer punt van aandacht te kunnen worden op de agenda in Brussel en Den Haag.

Prachtwijken

Nederland heeft voor het renoveren van in verval geraakte stadswijken een financieringsstrategie. Begunstigden van die als „bijzondere projectsteun voor bepaalde wijken” aangemerkte steunregeling zijn de woningcorporaties die hun activiteiten in de geselecteerde wijken ontplooien. Deze steunmaatregel moest worden gefinancierd door een nieuwe belasting die zou worden geheven van de woningcorporaties die hun activiteiten juist buiten de problematische stadswijken verrichten. De Europese Commissie heeft vastgesteld dat steunmaatregel verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. Zij was van mening dat „[d]e steun verleend voor de bouw en de verhuur van voor particulieren bestemde woningen, met inbegrip van de bouw en het onderhoud van aanvullende infrastructuur, en voor de bouw en de verhuur van maatschappelijk vastgoed verenigbaar is met artikel 106, lid 2, VWEU”. Zij heeft beslist om geen bezwaar te maken tegen de door Nederland aangemelde nieuwe maatregelen. Negen woningcorporaties waren het daar op hun beurt niet mee eens.

Corporaties op de markt

Het Gerecht was van mening dat het bestreden besluit de negen woningcorporaties op dezelfde wijze raakte als iedere andere marktdeelnemer die zich feitelijk dan wel potentieel in een identieke situatie bevindt en dat hun loutere hoedanigheid van woningcorporatie, die volgens objectieve criteria wordt verleend, niet volstond om hun individuele geraaktheid aan te tonen. Het Gerecht oordeelde dat een nietigverklaring de negen corporaties geen voordeel kon verschaffen en dat zij derhalve geen bewijs hadden geleverd van hun belang bij een beroep tot nietigverklaring van dat besluit. Het advies aan het Hof is vervolgens duidelijk: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat de negen corporaties geen deel uitmaakten van een gesloten kring van instellingen die op het moment van vaststelling van het besluit bepaalbaar was. Integendeel, de negen zouden juist rechtstreeks en individueel worden geraakt door het besluit.

Lissabon > Brussel > Den Haag

In de bestreden beschikking heeft het Gerecht alleen de voorwaarden onderzocht inzake het procesbelang en de individuele geraaktheid, zoals die waren neergelegd in het oude artikel 230, vierde alinea, EG. Sinds de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon, is evenwel een derde mogelijkheid geboden voor natuurlijke en rechtspersonen die een beroep tot nietigverklaring willen instellen. Vanaf dat moment is het hun door artikel 263, vierde alinea, VWEU toegestaan om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen regelgevingshandelingen die hen rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen meebrengen. Het recente advies aan het Hof laat zien dat het Gerecht, door niet tot dit onderzoek over te gaan, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Als het Hof het advies volgt, staat de financiering van de corporaties weer in de spotlights, in Brussel en dus ook Den Haag.