Deskundigheid onder controle, of toch niet?

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft op 9 april 2008 haar beleid bekend gemaakt inzake de deskundigheidseisen voor ondernemingsbestuurders en andere “beleidsbepalers” op financiële markten. Het betreft een nieuwe beleidsregel over de vereiste bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden. Er gold al een beleidsregel voor beleggingsondernemingen, beheerders en bewaarders van beleggingsinstellingen en beleggingsmaatschappijen zonder een aparte beheerder. De nieuwe beleidsregel gaat ook gelden voor financiële dienstverleners, marktexploitanten en aan beleggingsondernemingen verbonden agenten. Goed dat de AFM voor de ‘deskundigheidscategorieën B, C, en D’ enkele voorbeelden heeft gegeven zodat de eenieder weet welke ervaring moet worden aangetoond met een curriculum Vitae, referenties of anderszins. Ervaring in leidinggeven, administratieve organisatie en interne controle zijn immers een intrinsiek lastig meetbare eenheden.

Het twin peaks model in het toezicht op de Nederlandse financiële markten brengt altijd een aardig inkijkje in de “samenwerking” tussen de twee toezichthouders AFM en De Nederlandsche Bank (DNB). Op grond van art.1:46 Wft moeten AFM en DNB ook samenwerken met het oog op de vaststelling van de beleidsregel deskundigheid. AFM en DNB zijn echter niet gekomen tot een gezamenlijke beleidsregel. De AFM heeft op vragen daarover aangegeven dat DNB “ook onderzoekt of het mogelijk is dezelfde uitgangspunten van het beleid toe te passen op hun verschillende groepen ondertoezichtgestelden”. Je zou er “toezichtsmoe” van kunnen worden.

Hetzelfde geldt voor de niet altijd even eenduidige en evenwichtige opbouw van het beleid. In de consultatieronde is bijvoorbeeld de vraag opgeworpen of ervan uit kan worden gegaan dat de beleidsbepaler over voldoende bestuurlijke vaardigheden bezit als hij kan aantonen dat hij aan minstens één van een reeks criteria voldoet. Kortom is de in het beleid opgenomen reeks criteria cumulatief of niet. De AFM geeft aan dat de eisen niet cumulatief zijn, maar geeft ook aan dat dit niet automatisch betekent dat het voldoen aan één van de criteria altijd voldoet. Het uitgangspunt is dat voor de bestuurlijke vaardigheden de AFM onder meer kijkt naar de genoemde criteria. Dit betekent dat ook andere criteria van belang kunnen zijn. Dat lijkt een wat wankelmoedige benadering. 

Beleid moet een vaste gedragslijn bieden. Op beleidsregels moet kunnen worden vertrouwd en het komt de gelijkheid ten goede wanneer er duidelijke beleidsregels worden bekendgemaakt die voor iedereen gelijk kunnen worden toegepast. De Aanwijzingen voor de regelgeving eisen dan ook dat bepalingen zo beknopt mogelijk worden geformuleerd (Aanwijzing 52). Letterlijk staat in de toelichting: “Indien bij het ontwerpen van een bepaling een sluitende, maar ingewikkelde formulering is gevonden, dient steeds te worden nagegaan of het niet eenvoudiger kan”.

In de Staatscourant van 24 augustus 2006 meldt Prof. Mr Michiel Scheltema dat het beter is om beleidsregels niet als al te star op te vatten, dan om steeds weer een nieuwe categorie van regels in te voeren. Het stapelen van regelgeving en het sluitend willen maken van regelgeving, strooct inderdaad niet met het streven van de overheid naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan. En dat streven staat weer letterlijk in Aanwijzing 10 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Een Aanwijzing die de AFM in de wind lijkt te hebben geslagen.