Column Raymond
Column Raymond

Gemeente moet strenger worden voor horeca-ondernemers

Eind januari 2015 doken in verschillende media de resultaten op van onderzoek naar het gebruik van illegale gokzuilen in horecazaken. De Kansspelautoriteit roept nu gemeenten op tot strengere controles, en ook in de Tweede Kamer zijn inmiddels vragen gesteld over de bevoegdheden en mogelijkheden van gemeentes om op te treden tegen horecazaken op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (Wet Bibob) en de Drank- en Horecawet. De ingezette aanscherping van het beleid kan echter leiden tot een aanzienlijke belasting voor oprechte horeca-ondernemers.

Wet Bibob

Wat zijn de mogelijkheden voor gemeenten om op te treden? Op grond van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen vergunningen weigeren of intrekken wanneer de vergunninghouder of -aanvrager niet helemaal binnen de grenzen van de wet lijkt te (gaan) handelen. Natuurlijk zijn zij hierbij gebonden aan nadere criteria; zo moet er een ‘vermoeden van ernstig gevaar’ bestaan dat de vergunning zal worden aangewend om strafbare feiten te plegen, geld wit te wassen of voordeel te halen uit strafbare feiten. Dit ‘vermoeden van ernstig gevaar’ moet worden getoetst aan de hand van, kort gezegd, alle feiten en omstandigheden.

Drank- en Horecawet

Een andere mogelijkheid om op te treden wordt geboden door de Drank- en Horecawet. De burgemeester is bevoegd de horecavergunning in te trekken en de zaak te sluiten wanneer sprake is van zogeheten ‘slecht levensgedrag’ van de exploitant. Het begrip ‘slecht levensgedrag’ wordt in de jurisprudentie een ruime betekenis gegeven. Bij de beoordeling van het levensgedrag zijn geen beperkingen opgelegd ten aanzien van de feiten en omstandigheden die daarbij mogen worden betrokken. In principe worden hier al twee prima handvatten gegeven waarmee gemeenten op kunnen treden tegen louche horeca-ondernemers, die zich buiten de grenzen van de wet begeven door bijvoorbeeld illegale gokzuilen te plaatsen.

Problemen in de praktijk

De voorbeelden in de praktijk zijn helaas vaak minder duidelijk. Uitoefening van bovengenoemde bevoegdheden kan tot onwenselijke situaties leiden. Zo is in het verleden een horecavergunning wel eens geweigerd omdat de aanvrager ooit een vermeend illegale Poolse schilder wat werkzaamheden had laten verrichten, en bovendien twee(!) snelheidsovertredingen had begaan. Vele gemeenten vragen op grond van de Wet Bibob standaard aan ondernemers hun eerlijk ondernemerschap te bewijzen bij aanvraag van een vergunning. Ook komt het voor dat dit gevraagd wordt bij verlenging van de vergunning of bij vervanging van de bedrijfsleider. Van een ‘vermoeden van ernstig gevaar’ is in dit geval nog geen sprake. Voor (startende) ondernemers betekent een Bibob-toets een forse en ongewenste tijdsinvestering. De oproep van de Kansspelautoriteit en de ontwikkelingen in de Kamer lijken deze niet wenselijke praktijken nog eens in de kaart te spelen. Hoewel de gedachte die aan de betreffende wetgeving ten grondslag ligt zeker geen verkeerde is, kunnen ook eerlijke en oprechte horeca-ondernemers eenvoudig in de problemen komen bij de administratieve voorbereiding en behandeling van hun aanvragen.