Het pensioen van de echtscheidende directeur-grootaandeelhouder

Het jaar 2007 brengt voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) een groot aantal veranderingen met zich op pensioengebied. Allereerst is er met ingang van 1 januari jl. een nieuwe pensioenwet. Deze wet is niet van toepassing op de dga. Men is dga indien men (in)direct 10% van de aandelen of certificaten daarvan in het geplaatst kapitaal houdt. In 2007 moet de dga de keuze maken of hij het pensioen in eigen beheer of door middel van een verzekerde regeling gaat opbouwen.

Eigen beheer lijkt aantrekkelijk. Echter, de dga moet zich realiseren dat zijn echtgenote in geval van echtscheiding niet alleen recht heeft op de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken, maar dit recht ook te gelde kan maken in die zin dat de dga dit deel van de pensioenaanspraken moet afstorten.

Tot 9 februari 2007 was dit geen uitgemaakte zaak. Tot dat moment gold dat het uitvoeringsorgaan (de BV) slechts onder omstandigheden verplicht kon zijn het kapitaal dat nodig was ter dekking van de pensioenverplichtingen te storten onder een pensioenverzekeringsmaatschappij. De vrouw diende daarvoor bijvoorbeeld aannemelijk te maken dat het uitvoeringsorgaan onvoldoende zorg besteedde aan de pensioendekking en de man als dga het beleid van het uitvoeringsorgaan kon bepalen.

De Hoge Raad gaat met zijn uitspraak van 9 februari 2007 een stuk verder. Op grond van deze uitspraak moet er worden afgestort, tenzij de dga stelt en aannemelijk maakt dat er niet alleen onvoldoende liquide middelen zijn om af te storten, maar dat deze liquide middelen ?ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continu?teit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen.?

Deze uitspraak heeft in actuari?le kringen en bij accountants tot grote beroering geleid. Het betekent dat de pensioenreserve grotendeels daadwerkelijk beschikbaar moet zijn in geval van echtscheiding van de dga. Dit is helaas bij de meeste bedrijven geen realiteit. Met een gemiddeld scheidingspercentage van 33% is dit wel een risico waarmee rekening gehouden moet worden.