Dag van Erfrecht
Dag van Erfrecht

Hoe moet worden bepaald wat er met de as van een overledene gebeurt?  

Nabestaanden kunnen nog weleens twisten over de vraag wat er met de as van de overledene moet gebeuren. Moet de as bijvoorbeeld worden bewaard in een asbus bij één van de nabestaanden thuis of moet de as worden uitgestrooid? Leidend is steeds de (vermoedelijke) wens van de overledene. Maar hoe moet de (vermoedelijke) wens van een overleden persoon worden achterhaald en door wie wordt dat bepaald?

Wettelijk kader

Voor het bepalen van de asbestemming zal eerst het testament van de overledene moeten worden geraadpleegd. Wanneer echter geen testament is opgesteld door de overledene of wanneer in het testament niets is bepaald over de asbestemming, dient te worden gekeken naar de Wet op de Lijkbezorging.  In artikel 18 van deze wet is bepaald dat degene die de opdracht voor de crematie geeft in beginsel mag voorzien in de lijkbezorging. Dat betekent echter niet dat de opdrachtgever ook bepaalt wat er met de stoffelijke resten van de overledene gebeurt  (“de lijkbezorging”). De lijkbezorging geschiedt namelijk steeds overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Het bepalen van de vermoedelijke wens van de overledene

Het testament of een codicil kan vaak een eerste aanknopingspunt bieden voor de vermoedelijke wens van de overledene. Indien het testament of het codicil evenwel geen aanknopingspunt(en) biedt of de overledene geen testament of codicil heeft opgesteld, zal de wens van de overledene – zo goed als mogelijk – moeten worden vastgesteld op basis van vaststaande aanwijzingen.

In sommige gevallen twisten de nabestaanden over de vermoedelijke wens van de overledene. Het is dan niet zo dat alleen de opdrachtgever mag beslissen wat er gebeurt met de asbestemming. Ook andere nabestaanden mogen hun inspraak hebben. Deze nabestaanden kunnen dan bijvoorbeeld een procedure starten. Het is vervolgens aan de rechter om de vermoedelijke wens van de overledene aan de hand van aangeleverde stukken te achterhalen en de knoop door te hakken.

Als uiteindelijk blijkt dat de vermoedelijke wens van de overledene niet, of niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, dan zal per geval moeten worden bezien welke vorm van asbestemming de voorkeur moet krijgen. Het uitstrooien van de as is bijvoorbeeld erg ingrijpend wanneer niet duidelijk is wat de overledene zou hebben gewild.

Voorbeeld uit de rechtspraak

In een uitspraak van de Rechtbank Overijssel op 25 november 2020 twistten de kinderen over de vermoedelijke wil / de asbestemming van hun overleden moeder. De meerderheid van de kinderen stelde dat moeder de wens had om de as te laten verstrooien op een veldje bij het crematorium. Eén zoon stelde echter dat moeder het goed zou hebben gevonden dat hij een deel van de as zou bewaren in een asbus bij hem thuis.

De rechtbank stelde voorop dat de werkelijke wens van moeder nooit meer te achterhalen was, omdat deze niet was vastgelegd (op schrift). De rechtbank overwoog dus -in lijn met de wet- dat de vermoedelijke wens van moeder moest worden achterhaald.  De rechtbank achtte het meer waarschijnlijk dat moeder de as wilde laten uitstrooien, dan dat dat haar as (deels) werd bewaard in een asbus. Daar waren volgens de rechtbank meer aanwijzingen voor, waaronder het feit dat ook de as van vader was uitgestrooid.

Vervolgens verzocht de zoon nog om alsnog een deel van de as te mogen behouden in een asbus. Hij deed een beroep op het bestaan van een natuurlijke verbintenis en op de redelijkheid en billijkheid. Beide vorderingen werden door de rechtbank afgewezen. Wel merkte de rechtbank op dat het aan de andere kinderen niet in de weg stond om hun broer toch een deel van de as te gunnen. Als moeder had geweten dat haar zoon graag een deel van de as wilde houden, dan had ze dat misschien wel goed gevonden, aldus de rechtbank. Opmerkelijk is dat de rechtbank verder oordeelde dat de as van moeder niet de moeder is. Het is volgens de rechtbank slechts wat er over is van haar gestorven lichaam. Moeder leeft als het goed is voort in het hart / de herinneringen van haar kinderen en niet in haar as.

Conclusie

Bij het bepalen van de vermoedelijke wens van de overledene ten aanzien van de asbestemming, zal in eerste instantie moeten worden gekeken naar het testament. Indien daarin niets is bepaald ten aanzien van de asbestemming of indien geen sprake is van een testament, dan zal eventueel met behulp van de rechter moeten worden achterhaald wat de vermoedelijke wens van de overledene is geweest. Dit is helaas niet (altijd) eenvoudig.  In sommige gevallen kan de vermoedelijke wens dan ook niet of niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.

Indien u een conflict heeft over het bepalen van de asbestemming, dan kunt u contact opnemen met Sophie Vermeule.