Instemmingsrecht bij pensioenverzekering springlevend

Deze ware woorden staan in de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad bij de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:159) over het instemmingsrecht van de ondernemingsraad bij pensioenregelingen. Hoe de wetgever tegen de – ruimer geworden – reikwijdte van dat medezeggenschapsrecht aankijkt, heb ik besproken in de weblog Instemmingsrecht OR bij pensioen. De hoogste rechter oordeelde dus eind januari.

Stena Line

De vraag was of de OR van Stena Line instemmingsrecht had bij de wijziging van de verzekerde pensioenregeling. Stena Line wilde de pensioengrondslag wijzigen door daarin niet langer een bepaald variabel loonbestanddeel mee te nemen, hetgeen zou leiden tot een lagere pensioengrondslag en dus lagere opbouw. Op grond van artikel 27 WOR heeft een ondernemer bij een aantal onderworpen instemming van de OR nodig alvorens een besluit te kunnen nemen. Die instemming is kortweg niet nodig bij primaire arbeidsvoorwaarden (o.a. loon, arbeidsduur, vakantie). Een pensioenverzekeringsregeling is volgens de HR een secundaire arbeidsvoorwaarde, zodat daar het instemmingsrecht van de OR wél op ziet. Tenzij overigens sprake is van de situatie dat dit pensioen is geregeld in een CAO want dan gaat het primaat van de vakbonden voor (art. 27 lid 3 WOR) – maar dat speelde niet in de Stena Line-zaak. Dus was volgens de HR instemming van de OR nodig voor het voornemen van Stena Line tot wijziging van de pensioengrondslag van de verzekerde pensioenregeling.

Wetswijziging 7 augustus 2013

De Hoge Raad ziet als extra argument hiervoor dat de regering nog in may 2013 duidelijk heeft gemaakt dat de OR instemmingsrecht heeft bij de inhoud van een verzekerde pensioenregeling. En vervolgens is in de zomer, zoals besproken in bovengenoemde weblog, dat instemmingsrecht van de OR uitgebreid naar besluiten tot vaststelling en intrekking van een pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een ondernemingspensioenfonds.

Vervangende toestemming

Omdat de OR geen instemming had verleend aan Stena Line, had Stena Line op grond van artikel 27 lid 4 WOR de rechter gevraagd om zogeheten vervangende toestemming teneinde toch de wijziging van de pensioenregeling te kunnen doorvoeren. Daarvan zegt de HR dat de rechter vervangende toestemming kan geven aan de ondernemer als de eerdere beslissing van de OR om geen instemming te verlenen “onredelijk” was. Daarvan is pas sprake als de argumenten van de ondernemer voor het voorgenomen besluit zwaarder wegen dan die van de OR. Dat is dus voor de ondernemer een strenge toets, die ook betekent dat als de argumenten pro en contra even zwaar wegen de rechter de gevraagde vervangende toestemming zal weigeren. In dit geval had het gerechtshof wel vervangende toestemming aan Stena Line gegeven, maar de HR vond dat het hof daarbij onvoldoende zorgvuldig naar de OR-argumenten had gekeken.

Verdere verduidelijking instemmingsrecht bij pensioen

Voor dit onderwerp is verder van belang dat ná de visie van de regering van may 2013 en vlak vóór dit arrest, er opnieuw een brief is gekomen van de regering over de reikwijdte van het instemmingsrecht. Dat is een brief van Staatssecretaris Klijnsma van 17 januari 2014. Die is van belang omdat de komende tijd vele pensioenregelingen zullen (moeten) worden gewijzigd. Zij heeft het voornemen om het instemmingsrecht van de OR nog duidelijker en uitgebreider op te nemen in de wet. Daartoe volgt er eind 2014 een wetsvoorstel, waardoor de WOR straks ook een instemmingsrecht aan de OR zal toekennen voor vaststelling, wijziging of intrekking van een pensioenregeling bij een pensioenfonds. In de praktijk zijn er overigens veel die toch al wel – onverplicht – de OR betrekken bij eenzijdige wijziging van een collectieve pensioenregeling bij een pensioenfonds, omdat ook die onverplichte instemming van de OR al een rol speelt bij de vraag of de werkgever de pensioenregeling ten opzichte van de werknemers mag wijzigen.

Instemmingsrecht bij arbeidsvoorwaardelijke aspecten pensioen

In die recente brief maakt de staatssecretaris voor nu geldend recht ook duidelijk dat het instemmingsrecht van de OR betrekking heeft op het collectieve, arbeidsvoorwaardelijke aspect van de pensioen, en dus op de pensioenregeling. Bij die arbeidsvoorwaardelijke aspecten moet worden gedacht aan de hoogte van de pensioenopbouw, het type pensioen, het pensioengevend salaris, de hoogte van de franchise, de financiering van de pensioenaanspraken. Allemaal dus onderwerpen ter zake waarvan de OR reeds nu instemmingsrecht heeft.   Ga naar de uitspraak van 24 januari, ECLI:NL:HR:2014:159.