onderneming terugbetalen gemeente
onderneming terugbetalen gemeente

Interessante uitspraak: Onderneming moet € 222.706,- terugbetalen aan de Gemeente Leiden

De monumentale panden “de Waag” en “de Boterhal” in Leiden waren onderwerp van een jarenlange procedure tussen de in de panden gevestigde exploitant en de gemeente.  De exploitant vorderde een schadevergoeding, omdat de panden later waren opgeleverd dan de overeengekomen datum. In eerste aanleg werd de vordering toegewezen en moest de gemeente € 222.706,- betalen aan de exploitant. In hoger beroep werd dit echter teruggedraaid. Vanwaar deze ommekeer?

Wat was de situatie?

De panden in kwestie waren onderdeel van de ontwikkeling van het Aalmarktgebied in Leiden. Ten behoeve van deze ontwikkeling sloten de gemeente en de moedermaatschappij van de exploitant eind 2012 een samenwerkingsovereenkomst. Daarin stond het volgende: “(…) Indien een der partijen vermoedt dat de Planning aanpassing behoeft, zal zij de andere Partij daarover zo spoedig mogelijk berichten.” Vervolgens werd in juli 2013 een rapport uitgebracht waarin werd geadviseerd verschillende scheuren te herstellen en nader bouwhistorisch onderzoek te laten uitvoeren.

Hierna sloten de gemeente en de exploitant eind 2013 de huurovereenkomst waarin 1 juli 2014 als opleverdatum voor de panden werd genoemd. Partijen kwamen overeen dat de gemeente niet aansprakelijk was voor schade indien de panden te laat werden opgeleverd, tenzij de gemeente een toerekenbare tekortkoming kon worden verweten.

Wegens aanvullende werkzaamheden werden de panden pas op 1 oktober 2014 gedeeltelijk opgeleverd en op 21 november 2014 volledig.

Uitspraak rechtbank

De rechtbank overwoog dat de niet tijdige oplevering een toerekenbare tekortkoming was aan de zijde van de gemeente. Op grond van het rapport van juli 2013 had de gemeente namelijk al kunnen voorzien dat de overeengekomen opleverdatum niet gehaald zou kunnen worden. De gemeente had de exploitant daarover moeten informeren. Tevens bleek uit een verslag van 4 maart 2014 dat de gemeente al langer op de hoogte was van de uit te voeren werkzaamheden. Bovendien oordeelde de rechter dat de werkzaamheden niet noodzakelijk waren. Een door de rechter benoemde deskundige had de schade van de exploitant begroot op € 222.706,-. Dit schadebedrag werd toegewezen.

Het hof oordeelde anders

Het hof overwoog dat voor zover de vordering van de exploitant gebaseerd was op de informatieplicht voortvloeiend uit de samenwerkingsovereenkomst, deze niet slaagde. Ook al was de samenwerkingsovereenkomst gesloten met de moedermaatschappij, de exploitant kon daar geen rechten aan ontlenen. Zij was immers formeel geen partij. De gemeente was echter wel uit hoofde van de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechtsverhouding gehouden om de exploitant zo spoedig mogelijk te informeren over een mogelijke te late oplevering van het gehuurde. De gemeente had niet voldaan aan deze verplichting, doordat zij de exploitant pas in maart 2014 berichtte over informatie waar zij zelf al in januari 2014 over beschikte. Dat leidde echter niet tot aansprakelijkheid voor de schade. Het hof overwoog namelijk ook dat de gevorderde schade het gevolg was van de te late oplevering en niet het gevolg van de vertraagde informatieverstrekking. De exploitant had onvoldoende onderbouwd waarom de schade (ook) het gevolg kon zijn van de te late mededeling.

De exploitant betoogde verder dat de gemeente onzorgvuldig had gehandeld door met haar een opleverdatum af te spreken waarvan zij al wist dat deze niet haalbaar was. Dit zou resulteren in een verwijtbare tekortkoming van de gemeente. Het hof ging hier echter niet in mee. Anders dan de rechtbank, oordeelde het hof dat uit het rapport van juli 2013 niet afgeleid kon worden dat de gemeente rekening moest houden met een latere oplevering. Naar aanleiding van het rapport was een bestek gemaakt voor de uit te voeren werkzaamheden en daaruit bleek dat de werkzaamheden tijdig afgerond zouden zijn.

Verder overwoog het hof dat het rapport weliswaar een advies bevatte om nader bouwhistorisch onderzoek te laten uitvoeren, maar daaruit volgt niet zonder meer de kans of het risico dat de reeds voorgenomen en geplande werkzaamheden niet voldoende zouden zijn voor het herstel van het gehuurde”. Evenmin was het van belang dat de gemeente ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst opdracht had gegeven voor een tweede rapport. De exploitant stelde namelijk niet dat hieruit kon worden afgeleid dat de gemeente toen al wist dat er nadere werkzaamheden noodzakelijk waren. Het hof wees alle vorderingen daarom af.

Ten overvloede maakte het hof nog een opmerking over de schade die in eerste aanleg was toegewezen. De toegewezen schade zag blijkbaar op een misgelopen concernkorting. Deze schade was echter door de moedermaatschappij geleden en niet door de exploitant. Hoewel beide ondernemingen tot hetzelfde concern horen, zijn het wel twee verschillende entiteiten. “Er kan niet, al naar gelang dat uitkomt in een lopende procedure, willekeurig met vorderingen worden geschoven tussen afzonderlijke vennootschappen”, aldus het hof. De gevorderde schade had volgens het hof dan ook alleen in een sterk verminderde mate toegewezen kunnen worden.

Conclusie

Bovenstaande kwestie is een goede illustratie van het feit dat een zaak door het hof in zijn geheel opnieuw wordt beoordeeld en dit tot een totaal andere beslissing kan leiden dan in een eerste aanleg. Tevens toont het wederom aan hoe belangrijk het is om alle betrokken partijen ook daadwerkelijk als contractspartijen aan te merken in een overeenkomst.

Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2020:427, 17-03-2020.