bijklussen onder werktijd
bijklussen onder werktijd

Lessen voor ondernemer en ondernemingsraad uit recente rechtspraak

Naast de vele Wwz-uitspraken, óók interessante rechtspraak voor ondernemingsraad en ondernemer afgelopen maand. Zoals over de procesbevoegdheid van de OR,  adviesrecht bij ontslag van een directeur, instemmingsrecht bij een beloningsregeling en over de geheimhoudingsplicht voor OR-leden. Een overzicht voor de praktijk.

Beloningssysteem

Hoewel het aantal procedures tussen ondernemingsraad en ondernemer mee (of zo je wilt “tegen”) valt, gaat een behoorlijk deel daarvan over de vraag of de OR instemmingsrecht heeft over wijziging van beloningen, waaronder bonusregelingen. Pas als sprake is van een beloningssysteem in de zin van de WOR, heeft de OR instemmingsrecht. Daar stuitte de OR op in de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 27 oktober 2015. Er is namelijk alleen sprake van een beloningssysteem als het doel daarvan is een beloning te regelen; het gaat niet zo zeer om de vraag of de wijziging van een regeling financiële gevolgen voor de werknemers heeft, maar of de regeling zelf beoogd een beloning te regelen. Dat gold niet voor de hypotax-regeling in deze zaak, die juist als doel had om de belastingdruk voor uitgezonden werknemers gelijk te houden. Bovendien kan er, net als in deze zaak, sprake zijn van een regeling die eigenlijk ziet op een primaire arbeidsvoorwaarde (netto loon) – en ook een regeling ter zake daarvan is niet instemmingsplichtig. Er is overigens een bonte verzameling (oudere) uitspraken waarbij wijziging van een beloningssysteem de ene keer wel en de andere keer niet instemmingsplichtig is.  Zowel ondernemer als OR moeten bij (het opstellen en wijzigen van) dergelijke regelingen dus alert zijn.

Werkzaam in de onderneming

Een ander voor de praktijk relevant aspect kwam in die zaak ook kort aan de orde: de vraag of naar een (buitenlands) project uitgezonden werknemers meetellen voor het aantal in de onderneming werkzame personen. Dat getalcriterium is bijvoorbeeld van belang voor de vraag óf een ondernemer verplicht is een ondernemingsraad op te richten en in stand te houden. En dat is ook van belang voor de vraag of de OR überhaupt instemmingsrecht heeft; want dat is namelijk door de wet beperkt tot de “in de onderneming werkzame personen”. Het hof geeft geen definitief antwoord op de vraag wie/wat hier precies onder moet worden verstaan, maar geeft wel aan dat hierbij moet worden gekeken naar de manier van leidinggeven aan die projectmedewerkers en onder wiens leiding en verantwoordelijkheid de projecten feitelijk plaatsvinden.

Rechtbank Den Bosch 18 november 2015

In de uitspraak van de Rechtbank Den Bosch werd over de volgende interessante aspecten van medezeggenschap beslist:

  • De OR heeft zelfstandige procesbevoegdheid en mag dus ook een kort geding starten. Ook om een op handen zijnd ontslag van de directeur tegen te houden, zoals in deze zaak vergeefs gevorderd. Dat kan zowel bij de kantonrechter als bij de president van de rechtbank.
  • Een (voorgenomen) besluit tot schorsing en ontslag van een directeur is niet een (voorgenomen) besluit tot belangrijke wijziging in de organisatie, of verdeling van de bevoegdheden in die onderneming. Dus geen adviesrecht voor de OR ex artikel 25 WOR. Wel op grond van artikel 30. Dat is een wezenlijk verschil omdat het artikel 25 adviesrecht voor de OR wel en ook de route opent naar de Ondernemingskamer, en een onwelgevallige beslissing van de ondernemer op basis van het artikel 30 adviesrecht niet.
  • De OR kan in kort geding op straffe van een dwangsom vorderen te worden ontheven van de door de ondernemer aan haar opgelegde geheimhoudingsplicht. Die vordering wordt in dit geval afgewezen omdat het juist niet in het belang van de stichting is om publiekelijk meer over de kwestie bekend te maken.

SER en geheimhouding Ondernemingsraad

Ter zake van de geheimhouding heeft de SER overigens precies één jaar geleden een aanbeveling gedaan, inhoudende terughoudend gebruik door de ondernemer van de wettelijke mogelijkheid aan de OR actieve geheimhouding op te leggen. “Angst voor onrust” is volgens de SER een onvoldoende grond voor geheimhouding.  Bij het opleggen van geheimhouding moet de ondernemer meedelen  hoelang de geheimhouding duurt, ten aanzien van welke gegevens en welke personen de geheimhouding geldt. Zowel voor ondernemer als ondernemingsraad zijn deze aanbevelingen van belang.