De Netherlands Commercial Court
De Netherlands Commercial Court

Nu ik aansprakelijk ben, help ik mijn sportclub niet meer

Op 8 juni 2016 is Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht Rechtspersonen naar de Tweede Kamer gezonden. In dit wetsvoorstel wordt het toezicht op onder andere verenigingen en Stichtingen aangescherpt. Loopt u als bestuurder van uw sportclub nou ook meer “gevaar” om aansprakelijk gesteld te worden?

Aansprakelijkheid als bestuurder van de sportclub

De Memorie van Antwoord bij dit wetsvoorstel haalt de scherpe randjes er voor onbezoldigde bestuurder van verenigingen er vanaf. In het wetsvoorstel wordt art 2:9c BW geïntroduceerd. De regeling van de voorgestelde artikelen 2:9c is uitsluitend van toepassing in geval van faillissement van de rechtspersoon. De regeling betreft de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen jegens de curator en de vordering kan dan ook uitsluitend door de faillissementscurator worden ingesteld. Op grond van art 2:9c BW is: “1. In geval van faillissement van een rechtspersoon is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, (…), indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 2. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 10 of 394, heeft het zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.” Het voorgestelde artikel 2:9c bevat dus regels voor aansprakelijkstelling van bestuurders in geval van faillissement van de rechtspersoon. Omdat de nieuwe regel in het begin van Boek 2 wordt opgenomen is deze van toepassing op alle rechtspersonen. Tevens wordt er verwezen naar art 2:10 BW waar de administratieplicht wordt vermeld.

Eerder in het proces is erop gewezen dat de toepassing van de bedoelde regeling op alle rechtspersonen, het voor kleine, niet-commerciële verenigingen en stichtingen moeilijker kan maken om vrijwilligers te vinden voor de vervulling van bestuurs- of commissarisfuncties. Mede naar aanleiding van deze reacties is nu in het tweede lid een uitzondering opgenomen voor onbezoldigde bestuurders van niet-commerciële verenigingen of stichtingen en voor onbezoldigde bestuurders van informele verenigingen (verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte). Van een onbezoldigde functie als bedoeld in deze bepaling zal sprake zijn als de bestuurder voor zijn werkzaamheden geen vergoeding ontvangt of enkel een vergoeding voor werkelijk gemaakte onkosten. Met de voorgestelde bepaling geldt voor onbezoldigde bestuurders niet de regel dat in het geval dat niet voldaan is aan de administratieverplichtingen (artikel 2:10 BW) of de verplichting tot publicatie van de jaarrekening (artikel 2:394 BW), vaststaat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Voor onbezoldigde commissarissen van deze verenigingen en stichtingen geldt een overeenkomstige uitzondering (zie artikel 2:11c).

De drempel voor een succesvolle aansprakelijkstelling van de genoemde bestuurders en commissarissen wordt zo aanmerkelijk verhoogd. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat men zich ten onrechte door de regeling laat weerhouden om zich als vrijwilliger in te zetten als bijvoorbeeld bestuurder van een buurtvereniging of sportclub.