Beroep op ketenregeling verworpen

Beroep op ketenregeling verworpen

Een verkeerde aanzegging leidt niet per se tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook niet als er één dag te veel door de medewerker is gewerkt. Een beroep op de ketenregeling kan onder omstandigheden onaanvaardbaar zijn, zo oordeelde het gerechtshof Den Haag recent.

Het ging in de zaak om een medewerker die in de periode 26 mei 2015 tot en met 25 mei 2017 op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten in dienst was bij de Verzekeringsbank. Het laatste tijdelijke contract zou automatisch eindigen op 25 mei 2017. De werkgever deelde de medewerker een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst schriftelijk mee dat de laatste dag van de arbeidsovereenkomst 26 mei 2017 zou zijn in plaats van 25 mei 2017. Op 26 mei 2017 heeft de medewerker conform deze aanzegging, en met wetenschap van de werkgever, nog gewerkt. Vervolgens is de medewerker naar de rechter gestapt om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen. Volgens de medewerker was de maximale duur van tijdelijke contracten, zoals voorgeschreven in de ketenregeling (artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek) met één dag overschreden. De medewerker stelde dat er daardoor op 26 mei 2017 een overeenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan.

Gelijk

Technisch gezien had de medewerker gelijk: op grond van de ketenregeling was er na het overschrijden van 24 maanden een contract voor onbepaalde tijd ontstaan. Toch wees de kantonrechter het verzoek tot vernietiging van de opzegging af. Ook bij het hof ving de medewerker bot. Het gerechtshof deelde de mening van de kantonrechter dat het beroep op de ketenregeling in dit geval op basis van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, omdat er geen sprake was van een stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst. Dit is het geval als de medewerker uit de gedragingen van de werkgever heeft kunnen afleiden dat de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet. Dat was in deze zaak volgens het hof niet zo. Uit de laatste arbeidsovereenkomst bleek namelijk dat het contract van rechtswege zou eindigen op 25 mei 2017. Het einde van de overeenkomst werd daarnaast tijdig door de werkgever bevestigd en aangezegd per e-mail. De medewerker was volgens het hof dus al geruime tijd op de hoogte van het aflopen van de arbeidsovereenkomst. Dat hierover geen misverstand bestond, bleek ook uit het feit dat de medewerker op de laatste dag afscheid had genomen van collega’s en de kluissleutel had ingeleverd. Bovendien was zij daarna niet meer op het werk verschenen en had zij een WW-uitkering aangevraagd. Ondanks de bedoeling om de termijn van 24 maanden niet te overschrijden, maakte HR een vergissing bij de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Afscheid

Onder deze omstandigheden kon en mocht de medewerker niet aannemen dat de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet. Een beroep op de ketenregeling achtte het hof onaanvaardbaar.

Gerechtshof Den Haag, 8 januari 2019, ECLI (verkort): 26

Dit artikel verscheen eerder in Rendement.


Publicatiedatum:1 mei 2019