De zieke ambtenaar en vakantiedagen

In veel ambtelijke rechtspositieregelingen is de opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte beperkt, en ook het meenemen van vakantiedagen naar een volgend jaar. Daarmee wordt het ontstaan van stuwmeren van vakantiedagen beperkt. De Europese rechter heeft in 2009 uitspraak gedaan over de relatie tussen vakantieopbouw en ziekte. Op 18 juli 2011 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitgelegd wat dit betekent voor de Nederlandse ambtenaar.

Het Schultz-Hoff arrest

Op 20 januari 2009 oordeelde het Hof van Justitie EU (HvJ EU) in de zaak Schultz-Hoff dat een zieke fulltime werknemer recht heeft op minimaal vier weken doorbetaalde vakantie per jaar. De werknemer moet volgens het Hof in de gelegenheid zijn geweest die minimale hoeveelheid vakantie op te nemen. Kan hij dat niet vanwege de langdurige arbeidsongeschiktheid, dan heeft de werknemer het recht die vakantie in het volgende jaar op te nemen, althans recht op uitbetaling als het dienstverband eindigt.

De Nederlandse regelingen over vakantieopbouw en ziekte voor gewone werknemers en ambtenaren moeten hieraan worden aangepast. Daar schreven wij  eerder een weblog over (weblog van 6 januari 2011: Nieuwe regels voor vakantiedagen). Voor werknemers verandert het Burgerlijk Wetboek per 1 januari 2012. Wat geldt er voor de ambtelijke rechtspositieregelingen?

Ambtelijke rechtspositieregelingen over vakantieopbouw

De vakantieregelingen voor ambtenaren lijken minder makkelijk te wijzigen omdat elk type ambtenaar een eigen rechtspositieregeling heeft. Bijvoorbeeld de rijksambtenaar valt onder het ARAR, de politieambtenaar onder het BARP en de gemeenteambtenaar onder het CAR-UWO. Deze soms ook van elkaar verschillende regelingen gaan nog uit van een beperking van het recht op vakantie(-opbouw) voor langdurig zieke ambtenaren.

Het HvJ EU spreekt alleen over de minimale vakantierechten van vier weken. Ambtenaren hebben meestal recht op meer verlofdagen dan dit minimum. Voor die extra vakantie- en ADV-dagen kan ook na de uitspraak van het HvJ EU door de overheidswerkgever worden bepaald dat daarop geen recht (meer) bestaat bij langdurige arbeidsongeschiktheid.

Hoewel de rechtspositieregelingen nog niet zijn aangepast, heeft de Minister voor de rijksambtenaren al wel in een circulaire uit 2010 uiteengezet hoe Ministeries met de uitspraak van het HvJ EU moeten omgaan zo lang het ARAR nog niet is aangepast.

Uitspraken CRvB

Over die circulaire heeft de CRvB op 18 juli 2011 een uitspraak gedaan. De hoogste rechter in ambtenarenzaken oordeelt dat uit de circulaire blijkt dat de Minister zelf vindt dat het ARAR niet meer overeenstemt met de Europese richtlijn zoals door het HvJ EU uitgelegd. De circulaire bevat een handelwijze die wel met die Europese uitleg overeenkomt en de Minister moet, aldus de CRvB, handelen in lijn met de eigen circulaire. Op zich niet bijzonder: als de Minister in een circulaire schrijft hoe de rijksoverheid “for the time being” met vakantiedagen van langdurig arbeidsongeschikte ambtenaren moet omgaan, dan moet die circulaire ook in een individueel geval worden gevolgd. Misschien maakt deze uitspraak wel duidelijk dat het tijd wordt dat de Minister het ARAR zelf in overeenstemming gaat brengen met de Europese richtlijn.

Op dezelfde dag oordeelde de CRvB over een gemeentelijke rechtspositieregeling en het BARP. Beide regelingen kennen onvoldoende waarborgen voor het recht op minimale vakantie voor de zieke gemeente- en politieambtenaar, zoals moet van “Europa”. Beide ambtenaren moeten dus alsnog de gelegenheid krijgen gebruik te maken van hun minimale vakantierechten.

Rechtstreeks beroep op richtlijn mogelijk

De procedures lopen voor de ambtenaren dus goed af, en zij hebben zelfs recht op hun minimale vakantierechten tijdens ziekte over de periode vóór de uitspraak van het HvJ EU. De Europese richtlijn geldt al sinds 1 januari 2004. Omdat het HvJ EU aangeeft hoe de richtlijn eigenlijk al sindsdien door Nederland had moeten worden toegepast voor ambtenaren, kan de ambtenaar daar dus met terugwerkende kracht recht aan ontlenen. Dat hangt er mee samen dat een ambtenaar rechtstreeks een beroep kan doen op een Europese richtlijn tegenover zijn overheidswerkgever. Een gewone werknemer kan dat tegenover zijn werkgever over het algemeen niet. Vanwege dit verschil zijn vergelijkbare kwesties als die speelden in deze CRvB-uitspraken, voor gewone werknemers recent minder goed afgelopen.

Gevolgen voor overheidswerkgevers en ambtenaren

Voor ambtenaren die te weinig vakantierechten hebben gekregen vanwege hun langdurige arbeidsongeschiktheid betekenen de uitspraken van de CRvB een bevestiging van hun mogelijkheid (ook voor het verleden) tegenover de werkgever een beroep te doen op de Europese regels, waaraan de Nederlandse rechtspositieregelingen eigenlijk moeten voldoen. Voor de overheidswerkgevers en wetgever volgt uit deze uitspraken: werk aan de winkel om te komen tot formele wijziging van de rechtspositieregelingen over vakantierechten en ziekte.


Publicatiedatum:12 augustus 2011