Een financiële vechtscheiding, maar dan tussen ongehuwden zonder samenlevingscontract

Een financiële vechtscheiding, maar dan tussen ongehuwden zonder samenlevingscontract

De woningmarkt is booming en bij verkoop van een woning kan de overwaarde fors zijn. Wat als er een geschil ontstaat over wie recht heeft op welk deel van de overwaarde?
Onlangs deed de Rechtbank Rotterdam uitspraak in een zaak waarin een niet-gehuwd samenwonend, stel zonder samenlevingsovereenkomst, een geschil had over (het vergoeden van) het aflossen van de hypotheekschuld en een vergoeding voor gewerkte manuren en investeringen in de gemeenschappelijke woning.

Wat was de situatie?

Op 1 maart 2001 zijn man en vrouw gezamenlijk eigenaar geworden van een woning. De man en vrouw waren niet gehuwd en hadden geen samenlevingscontract. Uit de relatie is in 2002 een dochter geboren. Het stel had de woning destijds gekocht voor een bedrag van ƒ 1.225.000,- (€ 550.880,76). De vrouw had vóór aankoop van de gezamenlijke woning al een koopwoning, die zij met winst had verkocht. De overwaarde van de vorige woning, een bedrag van € 212.000,-, heeft zij in de loop van een aantal jaren geïnvesteerd in de gezamenlijke woning, de man heeft op zijn beurt flinke investeringen en manuren gestopt in de woning. De relatie loopt in 2018 op de klippen en de gezamenlijke woning wordt in juli van dat jaar verkocht. De woning levert een bedrag op van € 1.500.000,-. De vrouw stapt naar de rechter omdat zij vindt dat de overwaarde niet gelijk verdeeld moet worden tussen hen en omdat de man te weinig zou hebben bijgedragen aan de opvoeding van hun dochter. Hoofdzakelijk vordert de vrouw € 134.988,88 (investering woning en opvoedingskosten) en subsidiair een bedrag van € 106.000 (investering woning). De man heeft als tegeneis dat de vrouw daartegenover alsnog een substantieel bedrag moet meebetalen aan de investeringen in de woning.

Welke uitspraak deed de rechter?

Niet ter discussie stond dat de man en vrouw beiden eigenaar van de woning waren en dat dit een gemeenschap vormde. De rechter stelde vast dat de vrouw inderdaad een vordering heeft op de man vanwege de aflossingen op de hypotheek die zij verricht heeft. De man brengt als tegenargument in dat ten eerste de vordering van de vrouw is verjaard door het verstrijken van de wettelijke termijn van vijf jaren en ten tweede dat wanneer vast wordt gesteld dat er toch geen sprake is van een verjaarde vordering, er een verrekening zou moeten plaatsvinden vanwege de investeringen die hij heeft gedaan in de woning. De rechter gaat niet mee in het eerste argument van de man omdat de termijn van vijf jaren pas gaat lopen wanneer de vordering opeisbaar is. Gezien de relationele sfeer waarin de man en vrouw zich bevonden zou het niet redelijk zijn als deze termijn al begint te lopen tijdens de relatie. De rechter ging wel mee in het tweede argument; de man kon namelijk uitgebreide documentatie tonen met facturen en onderbouwing van de investeringen in de woning. Volgens de wet moeten deelgenoten in een gemeenschap zich naar redelijkheid en billijkheid naar elkaar gedragen. De rechtbank vond daarom, mede op grond van de redelijkheid en billijkheid, dat de aflossingen van de hypotheek door de vrouw en de investeringen in het huis door de man, tegen elkaar wegvallen en dat een ieder zijn/haar eigen proceskosten betaalt.

Conclusie

Het is raadzaam om van tevoren goede afspraken te maken in geval van samenwonen en het al dan niet doen van gemeenschappelijke investeringen, vooral wanneer de (financiële) belangen groot zijn. Houd ook een administratie bij van grote(re) uitgaven en bewaar de facturen. Een samenlevingsovereenkomst kan een hoop discussie besparen. Als u een vraag heeft dan kunt u terecht bij één van de specialisten van GMW advocaten, wij beschikken over de juiste kennis en expertise om u verder te helpen en staan u graag bij.

 

Uitspraak: ECLI:NLRBROT:2019:6407


Publicatiedatum:28 augustus 2019