Ondernemers en huwelijkse voorwaarden

Veel ondernemers zijn ervan overtuigd dat hun onderneming ‘veilig’ is bij echtscheiding, omdat zij onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. Niets is minder waar. Dit blijkt wel uit een recente uitspraak van de Hoge Raad, die niet ondernemersgezind is.

Huwelijkse voorwaarden: verrekenbedingen

Huwelijkse voorwaarden bevatten in de meeste gevallen een periodiek of finaal verrekenbeding van inkomsten. Op grond van een periodiek verrekenbeding dient inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden jaarlijks verrekend te worden. Indien echtgenoten dit achterwege laten, zoals te doen gebruikelijk, dienen zij bij echtscheiding het vermogen te verrekenen dat is gefinancierd met deze overgespaarde, niet-verrekende inkomsten. Dit betekent dat indien de directeur groot aandeelhouder de aandelen in zijn BV heeft gefinancierd met inkomen dat verrekend had moeten worden volgens de huwelijkse voorwaarden, hij de waarde van die aandelen bij echtscheiding (achteraf) dient te verrekenen met zijn echtgenote. Dat is voor de meeste ondernemers een tegenvaller, omdat zij er van uitgingen dat hun onderneming buiten schot bleef.

Waardevermeerdering aandelen

In de literatuur wordt wel betoogd dat het onredelijk is om de waarde van de aandelen volledig te verrekenen, omdat de waardevermeerdering van de aandelen niet uitsluitend is toe te schrijven aan de investering van overgespaarde inkomsten, maar ook aan de inzet en kwaliteiten van de ondernemer. Een volledige deling van de waardestijging doet in deze visie geen recht aan de situatie.

De Hoge Raad maakt korte metten met deze redenering. Partijen zijn in 1981 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding van inkomen. Tijdens het huwelijk is nimmer verrekend. De man heeft ter verkrijging/volstorting van de aandelen in zijn BV in 1986 een bedrag van ƒ 35.000,– betaald met inkomen dat met de vrouw verrekend had moeten. De Hoge Raad ziet in de omstandigheid dat de na 1986 opgetreden waardestijging van de aandelen voornamelijk teweeggebracht is door de arbeidsinspanning en ondernemerskwaliteiten van de man zelf (en van zijn zakenpartner) geen aanleiding om niet de volledige waardestijging tot het te verrekenen vermogen te laten behoren. “De waardestijging kom immers in beginsel toe aan degene die in de aandelen heeft belegd. Dat is hier niet alleen de man als rechthebbende op de aandelen maar krachtens het verrekenbeding en de beleggingsleer ook de vrouw, nu de aandelen zijn gefinancierd uit inkomsten die met haar verrekend hadden moeten worden.”

Beleggingsleer uitgangspunt 

De beleggingsleer wordt dus onverkort gehandhaafd. Dat komt er op neer dat het resultaat van de belegging met overgespaarde inkomsten volledig dient te worden verrekend bij echtscheiding. Voor ondernemers zal dit schrikken zijn, reden waarom ik daar aandacht voor vraag in deze weblog. Indien u vragen heeft aarzel niet contact met mij op te nemen.


Publicatiedatum:24 september 2012