Interview: Kunst kopen met dubieuze herkomst

Interview: Kunst kopen met dubieuze herkomst

Due diligence (gepaste zorgvuldigheid) en provenance (herkomst) worden steeds belangrijker in de kunsthandel, volgens Roos Hoek van de sectie Kunst en Cultuur van advocatenkantoor GMW advocaten in Den Haag. De juriste verwacht een verschuiving naar zwaardere, wettelijk vastgelegde, zorgvuldigheidseisen voor zowel verkopers als kopers van kunst, antiek en archeologische objecten. Opletten geblazen dus.

Hoe zijn we hier in Europa omgegaan met Nazi-roofkunst?
“Na de Tweede Wereldoorlog is een groot aantal rechtsherstelverzoeken afgewezen of hebben onderhandelingen geleid tot zeer nadelige schikkingen voor Joodse eigenaren. Zo werden Holocaustoverlevenden gedwongen afstand te doen van hun rechten in ruil voor geldelijke compensatie. Daarnaast werden verkopen aan de Duitse bezetter als ‘vrijwillige verkoop’ gekwalificeerd, zelfs indien dit gepaard ging met bedreigingen, een te lage aankoopprijs was betaald, of nooit toegang tot het geldbedrag was verkregen omdat Joodse bankrekeningen werden bevroren.

De geallieerden hebben veel geroofde kunstwerken opgespoord, waarna deze werden teruggevoerd naar het land van herkomst. Nationale overheden kregen de opdracht de gestolen kunstwerken terug te geven aan de rechtmatige eigenaren, maar de voorgenomen recuperatie botste in continentaal Europa op een weerbarstige bureaucratie en soms echt verkeerd handelen. In Beieren bijvoorbeeld zijn er na de oorlog vanuit de overheid zelfs kunstwerken niet gerestitueerd aan hun eigenlijke Joodse eigenaren, maar aan hooggeplaatste families in de Nazi-hiërarchie, waaronder de familie Göring, Hoffmann en Bormann. Nog steeds bevinden zich veel gestolen kunstwerken in museale collecties.”

Collect 2

Hoe zit het dan met de onderzoeksplicht van de verkoper?
“In tegenstelling tot de meeste ‘reguliere’ goederen, bezitten kunst, antiek en archeologische objecten doorgaans kenmerkende eigenschappen zoals uniciteit en duurzaamheid. Desalniettemin gelden bij de aankoop van kunstobjecten nagenoeg dezelfde zorgvuldigheidseisen.” “Verwerving van een kunstobject door een beschikkingsonbevoegde resulteert niet in een ongeldige overdracht, mits de overdracht anders dan om niet is gebeurd en de verkrijger te goeder trouw is. De verkrijger kan slechts als te goeder trouw worden aangemerkt – en daarmee aanspraak maken op derdenbescherming – wanneer hij zijn onderzoeksplicht is nagekomen. De reikwijdte van deze plicht wordt door de omstandigheden bepaald. De verkrijger moet dus zorgvuldig hebben gehandeld. Met uitzondering van een niet-limitatieve lijst met betrekking tot beschermd cultureel erfgoed heeft de wetgever echter nagelaten te bepalen wanneer aan deze zorgvuldigheidsplicht is voldaan.”

De koper is dus vergaande beschermd…?
“Dat klopt, maar steeds vaker rijst de vraag in welke mate de verkrijger wist of had moeten weten over de problematische herkomst van een kunstwerk. Dit gaat hand in hand met de vraag in hoeverre kunsthandelaren, galeries en veilinghuizen verplicht moeten worden om kopers of potentiële kopers juiste en volledige informatie te bieden over de herkomst van aangeboden kunstobjecten en derhalve herkomstonderzoek dienen te verrichten voorafgaande aan de verkoop. Echter, ondanks de groeiende behoefte aan een transparante en zorgvuldige kunstmarkt leidt het gebrek aan due diligence zelden tot kwade trouw in de Nederlandse rechtspraak. Er zijn zaken bekend waarbij professionele handelaren hebben nagelaten zorgvuldig te handelen. Dit uit zich bijvoorbeeld in het niet verrichten van (herkomst-)onderzoek of het niet opvragen van een certificaat van authenticiteit en andere documentatie rondom het desbetreffende kunstwerk. Daarnaast laten handelaren soms na nader onderzoek in te stellen indien er ondeugdelijke facturen worden verstrekt of indien de transactie onder verdachte omstandigheden plaatsvindt. Ik kan me voorstellen dat dit leidt tot frustratie bij gedupeerde eigenaren en een gevoel van onrechtvaardigheid teweeg brengt. Particuliere-, en in grotere mate, professionele partijen dienen kritisch en alert te zijn, net zoals je van een student enige achterdocht mag verwachten wanneer hem op straat een fiets wordt aangeboden.”

Hoe zie je de ontwikkelingen dan?
“Nu al is het zo dat wanneer je als bezitter wordt geconfronteerd met een claim, een rechter standaard beziet of de koper verschillende databases heeft geraadpleegd waar gestolen kunstwerken en andere waardevolle objecten worden geregistreerd, zoals het Art Loss Register. Ook wordt de druk op kunsthandelaren en veilinghuizen groter hun ‘huiswerk’ te doen vóórdat kunstwerken worden aangeboden. Er zijn voorbeelden van kopers die een procedure beginnen tegen professionele partijen voor de verkoop van bijvoorbeeld nazi-roofkunst. Verder is een groeiende behoefte aan een transparante en zorgvuldige kunstmarkt waar te nemen en dit komt vooral tot uiting in internationale- en EU-wetgeving, ‘soft law’-instrumenten en academisch onderzoek waarin het belang van due diligence wordt onderstreept. Toch zie je nog steeds dat zelfs de meest prestigieuze handelaren kunstwerken te koop aanbieden waarbij zeer beperkte informatie over de herkomst van het desbetreffende werk wordt vermeldt: ‘1938-1945 privécollectie, Duitsland’. Mijns inziens moet voor de periode 1933-1945 concrete herkomstinformatie worden vermeld zodat kopers zich ervan kunnen vergewissen dat het hier geen nazi-roofkunst betreft. Hopelijk worden zowel kunsthandelaren als verzamelaars zich bewust van het belang van een volledige en transparante herkomst. Zelf heb ik ervaring met herkomstonderzoek en ken ik de relevante archieven in Nederland goed. Ik vind het steeds zeer bevredigend als ik met verzamelaars mee mag werken aan een smetteloze collectie.”

Soms zie je dat eigenaren meewerken en overgaan tot restitutie van Naziroofkunst. Waarom?
“Kort geleden heeft het Gerechtshof van Parijs een opmerkelijke uitspraak gedaan inzake naziroofkunst. Dat ging over een kunstwerk uit de collectie van Simon Bauer, een Joodse zakenman die in 1943 door de nazi’s was gedeporteerd. Het vermogende Amerikaanse koppel Bruce en Robbi Toll had in 2016 ‘La Cueillette’ van Pissarro uitgeleend voor een tentoonstelling in het Marmottan-museum in Parijs, waar het door de Franse staat in beslag werd genomen en teruggeven aan de nazaten van Simon Bauer. De Tolls hebben het schilderij in 1995 via veilinghuis Christie’s in New York voor 800.000 dollar gekocht. In de jaren 60 van de vorige eeuw is het schilderij in beslag genomen door de Franse overheid, maar is nagelaten het werk te restitueren aan de erfgenamen van Simon Bauer. Tevens heeft de Franse overheid in deze periode een exportvergunning verstrekt voor het Pissarro-schilderij. Decennia later is het werk dus opnieuw door de Franse overheid in beslag genomen. Bruce en Robbi Toll hadden beroep aangetekend nadat in eerste aanleg al was beslist dat het schilderij moest worden gerestitueerd. De Tolls benadrukten dat ze geen idee hadden dat het schilderij was geroofd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de rechter erkende dat het schilderij te goeder trouw was gekocht, moest het toch worden teruggeven zonder financiële compensatie voor de Tolls. Het is dus van belang dat een bruikleengever op de hoogte is van mogelijk uitstaande vorderingen, aangezien deze het geleende kunstwerk vatbaar kunnen maken voor inbeslagname en zelfs restitutie.”

Strijd om Boeddhabeeld
Noemenswaardig is de rechtszaak die is aangespannen door het dorpscomité van Yangschun, een dorp in de Zuidoost-Chinese provincie Fujian, tegen Oscar van Overeem, een Nederlandse verzamelaar van oud Chinese kunst. Zij verzoeken de Rechtbank Amsterdam om de teruggave van een duizend jaar oud Boeddhabeeld met daarin de menselijke resten van de Chinese monnik Zhanggong. Volgens de bewoners van Yangchun is dit beeld in 1995 uit hun lokale tempel gestolen. De bewoners voeren aan dat Van Overeem op het moment van aankoop in 1996 de nodige zorgvuldigheid had moeten betrachten om te goeder trouw te handelen. Door de kwade trouw van Van Overeem bedraagt het verjaringstermijn voor de revindicatievordering twintig jaar, welke nog niet zou zijn voltooid. Van Overeem betoogt dat due diligence-eisen in de jaren negentig nog niet van toepassing waren. De verzamelaar heeft voorafgaande de aankoop geen onderzoek verricht naar de herkomst van het beeld. Ook had hij geen exportvergunning terwijl strikte exportrestricties destijds al van toepassing waren op Chinese artefacten. Verder is Van Overeem niet in staat om een koopovereenkomst, factuur of andere bewijsstukken van de transactie te verstrekken. Inmiddels heeft Van Overeem het beeld op grond van een ruilovereenkomst van de hand gedaan aan een onbekende zakenman die volledig op de hoogte is van de juridische problemen rond het beeld. Ook alle documentatie omtrent deze ruilovereenkomst ontbreekt. Van Overeem verklaart dit te hebben weggegooid, en van het beeld ontbreekt ieder spoor. Hoewel de claim dat Van Overeem ten tijde van de aankoop van het beeld onzorgvuldig is geweest wordt onderbouwd met legitieme argumenten, kan uit de Nederlandse jurisprudentie worden opgemaakt dat soortgelijke feitelijke omstandigheden niet volstonden om kwade trouw aan te tonen. De Rechtbank Amsterdam zal naar verwachting op 12 december 2018 met een uitspraak komen. Het zal interessant zijn om te zien of de rechters een nieuw precedent zullen scheppen of de status-quo zullen volgen. Bovendien worden de rechters geconfronteerd met de moeilijke taak om te bepalen of het betreffende Boeddhabeeld in feite het gestolen artefact uit de gemeenschap van Yangchun is.

 

Dit interview verscheen eerder in Collect .


Publicatiedatum:3 december 2018