Aansprakelijkheid accountant voor opgestelde verklaringen

Kan een accountant van een vennootschap aansprakelijk worden gesteld door de kopers van de aandelen van diezelfde vennootschap? De accountant heeft in deze casus de door hem opgestelde inbreng- en onthoudingsverklaring niet in opdracht van die kopers geschreven. En is het wel de taak van de accountant om ervoor te waken dat de verkoper zijn verplichtingen uit een intentieovereenkomst zou nakomen? De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam moest zich hier recent over buigen. Wat was er gebeurd?

Voorgenomen verkoop

Eén van de aandeelhouders van vennootschap A heeft op enig moment aangegeven de onderneming te willen verlaten en zijn aandelen in twee van de dochtervennootschappen te willen verkopen. Twee partijen waar verkoper reeds mee samenwerkte, en een derde partij, wilden deze aandelen wel kopen en onderbrengen in een nieuwe holding. De aandelen zijn vervolgens door een derde gewaardeerd in opdracht van verkoper (de aandelen werden gehouden door twee vennootschappen) en één van de kopers. Verkoper en kopers zijn daarna op 14 augustus 2009 een intentieovereenkomst met elkaar aangegaan, gebaseerd op deze waardering. Gedaagden (dat zijn de accountant en de BV waarvan de accountant bestuurder is en waarvoor hij werkzaam is) hebben de halfjaarcijfers per 30 juni 2009 in opdracht van de beide dochtervennootschappen beoordeeld. Op 30 november 2009 heeft de accountant een beoordelingsverklaring afgegeven waarin hij zich van een conclusie heeft onthouden, een zogenaamde onthoudingsverklaring. Op 13 januari 2010 heeft de accountant een inbrengverklaring afgegeven in verband met de oprichting van de nieuwe holding waarin de aandelen van de dochtervennootschappen zouden worden ondergebracht.

Vordering in kort geding

De kopers vinden dat ze teveel hebben betaald en verwijten dat de accountant en diens kantoor. Zij stellen in kort geding dat kopers zijn opgelicht door verkoper. De cijfers waarop de koopprijs is gebaseerd geven, naar is achteraf gebleken, een onjuiste voorstelling van zaken. Gedaagden hebben grove fouten gemaakt bij de uitvoering van hun opdrachten en hebben meegewerkt aan oplichting. Daarnaast hebben gedaagden bewust stukken achtergehouden, aldus de kopers.

Oordeel van de voorzieningenrechter

De rechter stelt in zijn uitspraak dat gedaagden niet verplicht waren de beoordelingsverklaringen aan iemand anders dan hun opdrachtgevers te verstrekken. Dus niet aan de kopers. Wel dienen dergelijke verklaringen altijd een juist beeld te geven van de halfjaarcijfers van de vennootschappen. Of gedaagden in casu een afkeurende verklaring hadden moeten afgeven (stelling kopers) of met een onthoudingsverklaring konden volstaan (stelling gedaagden) is niet relevant. In beide gevallen was voor derden duidelijk dat er iets niet deugde aan de gepresenteerde cijfers. Het is vervolgens aan kopers om daarop gepaste actie te ondernemen. Voor zover kopers stellen dat de jaarrekeningen over 2009, 2010 en 2011 niet deugden, stuit ook dat verwijt daarop af. Bovendien hebben kopers een derde partij de waardering laten opmaken. En die partij is daar kennelijk ook niet op aangeslagen. Een ander verwijt van kopers aan gedaagden is dat de intentieovereenkomst aan de verkopers bepaalde verplichtingen oplegde waarvan gedaagden wisten dat verkopers deze niet konden niet konden nakomen. Ook dat argument veegt de rechter van tafel. Voor zover al duidelijk is dat accountant daarvan op de hoogte was, is het niet aan deze accountant om ervoor te waken dat verkopers hun verplichtingen ten opzichte van de kopers nakomen. Verder verwijten kopers gedaagden dat zij een inbrengverklaring hebben afgegeven zonder deugdelijk vooronderzoek naar de waarde van de aandelen. Het gaat hierbij, aldus de rechter, over de juistheid van de door gedaagden gehanteerde waarderingsmethode. De rechter ziet op voorhand geen reden om de gebruikte methode als onjuist aan te merken. Bovendien moet voor ogen worden gehouden, aldus de rechter, dat de inbrengverklaring door partijen niet is gebruikt om daarop de koopprijs te baseren. Mocht dat laatste wel het geval zijn geweest, dan was de accountant daarmee niet bekend. Ten slotte hebben kopers nog gesteld dat gedaagden de nieuwe accountant onvoldoende inlichtingen hebben verstrekt en ten onrechte hebben geweigerd bepaalde stukken af te geven. De rechter doet dat eenvoudig af met de stelling dat nader onderzoek vereist is om dat verwijt goed te kunnen beoordelen en dat een kort geding zich daarvoor niet leent. Kortom, de verwijten van kopers snijden in kort geding geen hout. De vorderingen worden alle afgewezen.

Conclusie

Ik neem aan dat verkoper al in een eerdere procedure door kopers is gedagvaard. Kennelijk is dat zonder bevredigend resultaat geweest (er wordt in deze uitspraak met geen woord over gerept) waarna kopers de accountant hebben aangesproken. Kopers zijn er in dit kort geding niet in geslaagd om de medeplichtigheid van de accountant bij de vermeende oplichting door verkoper aan te tonen. Dat is in z’n algemeenheid ook erg lastig te bewijzen. Meer in zijn algemeenheid gesteld, is ook helemaal niet gezegd dat een accountant in soortgelijke gevallen een verwijt is te maken. Een accountant heeft in die gevallen een beperkte opdracht die hij bovendien, zoals ook in casu, ten behoeve van de te verkopen vennootschappen verricht. Hij is daarbij zeker niet de adviseur van de kopende partij. Wat in elk geval uit de uitspraak kan worden afgeleid is dat een potentiële koper bij kennisname van een onthoudingsverklaring met betrekking tot de target-vennootschap, zelfstandig nader onderzoek (‘gepaste actie’) moet verrichten naar de financiële situatie van die vennootschap. Ook wel zo verstandig.


Publicatiedatum:21 juli 2014