Griffierechten per 1 januari 2011

Op 1 november 2010 is een nieuw griffierechtenstelsel geintroduceerd. Daarvoor is de Wet tarieven in burgelijke zaken (Wtbz) vervangen door de Wet griffierechten in burgelijke zaken (Wgbz). Het nieuwe stelsel moet de gang naar de civiele rechter laagdrempelig en kostentransparant maken, alsook het berekenen van griffierechten vereenvoudigen. Per 1 januari 2011 zijn de griffierechten geindexeerd. In deze weblog worden de belangrijkste wijzigingen op een rijtje gezet.

 Systeem griffierechten eenvoudiger

1. Bijzondere tarieven voor verschillende soorten zaken, zoals kort gedingen, alsook griffierecht als percentage van het gevorderde bedrag, worden afgeschaft. Er gelden vaste tarieven, al naar gelang de hoogte van de vordering. De wetgever heeft daarvoor een aantal tranches onderscheiden. Die tranches lopen van € 0,- tot € 500,- (€ 106,-), van € 500,- tot € 5.000,- (€ 284) waar het betreft de kantonrechter, en van € 5.000,- tot € 12.500,- (€ 568,-), van € 12.500,- tot € 100.000,- (€ 1.181,-) en € 100.000,- en meer (€ 3.537,-) waar het de sector civiel van de rechtbank aangaat. De tranches bij het gerechtshof luiden: tot € 12.500,- (€ 649,-), van € 12.500,- tot € 100.000,- (€ 1.769,-) en € 100.000,- en meer (€ 4.713,-). Vorderingen dan wel verzoeken van onbepaalde waarde vallen in de eerste tranche. 2. Er geldt een vast laag tarief voor on- en minvermogenden van € 71,- bij de kantonrechter en rechtbank sector civiel en € 284,- bij het gerechtshof. 3. Voor natuurlijke personen en rechtspersonen gelden dezelfde tranches. Natuurlijke personen betalen bij gelijke tranches minder griffierecht dan rechtspersonen (maximaal € 142,- bij de kantonrechter, ten hoogste € 1.414,- bij de rechtbank civiel en maximaal € 1.475,- bij het gerechtshof).

Griffierechten direct verschuldigd

4. Vanaf 1 januari 2011 is niet alleen griffierecht verschuldigd op de eerste roldatum, doch dient het bedrag ook binnen vier weken nadien te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient of de behandeling plaatsvindt. Bij gebreke daarvan heeft de rechter de mogelijkheid gedaagden te ontslaan van de instantie, met veroordeling van eiser in de kosten. Alleen in gevallen waarin dat leidt tot onbillijkheid van overwegende aard, kan de rechter daar een uitzondering op maken. Tegen zo’n beslissing staat geen hoger beroep open. Deze werkwijze geldt voor dagvaardingen die worden betekend op of na 1 januari 2011 en voor verzoekschriften ingediend op of na 1 januari 2011. 5. De beroepsorganisatie van deurwaarders (KBvG) achtte de nieuwe regeling eerder onredelijk voor natuurlijke personen omdat die aan de ene kant worden ontzien doordat voor hen een lager griffierecht geldt, doch aan de andere kant, indien in het ongelijk gesteld, een hoger bedrag aan proceskosten zullen moeten betalen. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft aangedrongen op introductie van een landelijk betalingssysteem alvorens de inning van de griffierechten aan het begin van een procedure te laten gelden. Dat maakt de kans op ontslag van instantie veel kleiner. De wetgever heeft zich voor deze argumenten niet gevoelig getoond. 6. Voor dagvaardingszaken geldt het nieuwe griffierecht als de roldatum op of na 1 november 2010 is. Voor verzoekschriften geldt het nieuwe griffierecht indien het verzoekschrift wordt ingediend op of na 1 november 2010.  


Publicatiedatum:1 januari 2011