Is UWV eigenlijk wel met z’n tweeën bij het aanvragen van faillissement?

De Faillissementswet dat de rechtbank het faillissement kan uitspreken van degene die “verkeert in de toestand te hebben opgehouden met betalen”. Die toestand bestaat als iemand ten minste twee opeisbare schulden, van twee verschillende schuldeisers, onbetaald laat. Dit betekent dat degeen die twee schulden, hoe klein ook, niet betaald, op verzoek van een van de schuldeisers failliet kan worden verklaard.

In mijn vorige blog gaf ik aan dat veel faillissementen worden aangevraagd door UWV. Geldt de eis dat sprake moet zijn van ten minste twee schuldeisers dan niet voor UWV?

Tot 31 december 2005 was UWV de overheidsinstantie die van werkgevers de sociale premies voor WW, WAO etc. Daarnaast was UWV namens het College Zorgverzekeringen (CZ) exclusief bevoegd de Ziekenfondspremies te incasseren van werkgevers. Deze taken liggen sinds 1 januari 2006 bij de Belastingdienst. Een werkgever die een betalingsachterstand heeft jegens UWV, heeft dus vrijwel altijd direct ook een betalingsachterstand jegens CZ. Er is dan automatisch sprake van de toestand dat twee schulden onbetaald zijn, en dus feitelijk van faillissement. Maar is dat wel zo?

De Ziekenfondspremies worden gestort in de Algemene Kas die wordt beheerd door CZ. CZ is dus economisch gerechtigd tot die premies, en als zodanig ?schuldeiser? van de werkgever. De Ziekenfondswet bepaalde echter dat UWV de Ziekenfondspremies die een werkgever verschuldigd is vaststelt en invordert. Vervolgens moest UWV die ge?nde premies afdragen aan CZ. Dit betekent dat CZ niet zelfstandig bevoegd was de Ziekenfondspremies in te vorderen. Werkgevers die een vordering van CZ onbetaald laten, krijgen dus nooit een sommatiebrief van CZ zelf.

Tegelijkertijd is het voor een werkgever niet bevoegd om rechtstreeks betalingen te doen aan CZ, om pluraliteit van crediteuren te voorkomen. Slechts aan UWV kan bevrijdend worden betaald.

Ook zal een curator na afwikkeling van het faillissement de aan CZ toekomende uitkering moeten uitbetalen aan UWV. CZ meldt zich niet als zelfstandig crediteur bij de curator.

In die omstandigheden treedt CZ in het maatschappelijk verkeer niet op als zelfstandig schuldeiser: zij heeft geen zelfstandig vorderingsrecht. Naar mijn mening is CZ ook geen zelfstandige schuldeiser in de zin van de Faillissementswet. CZ kan niet zelfstandig een faillissement aanvragen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Evenmin kan de vordering van CZ als steunvordering worden gebruikt bij de aanvraag van een faillissement door UWV. Dit is bevestigd in uitspraken van de Rechtbank Amsterdam (2006), het Gerechtshof Den Bosch (2005), het Gerechtshof Arnhem (2005) en – in een vergelijkbare zaak – de Hoge Raad (1985).

Eenduidig is deze lijn echter niet. Het Gerechtshof Den Haag (2004), het Gerechtshof Arnhem (2004) en de Rechtbank Den Haag (2004) meenden dat CZ als economisch gerechtigde tot de Ziekenfondspremies toch de bevoegdheden van een zelfstandige schuldeiser toekwamen. Zoals aangeven ben ik er van overtuigd dat de nieuwe jurisprudentie juist is, en dat een faillissement niet kan worden uitgesproken op vorderingen van uitsluitend UWV en CZ. Wie met een aanvraag van hen geconfronteerd wordt, doet er goed aan zich op dit punt goed te (laten) verdedigen.


Publicatiedatum:11 juli 2007