Wijzigingen in Wet op de Ondernemingsraden (WOR)

Ondernemingsraden voelen zich vaak gepasseerd door de ondernemer. Dit blijkt uit recente onderzoeken van onder meer FNV. De ondernemer moet de OR regelmatig op de hoogte stellen van het reilen en zeilen van de onderneming. Ook moet de ondernemer bepaalde voorgenomen besluiten ter advies of instemming voorleggen. De OR die gepasseerd wordt, heeft wel middelen in handen. De gang naar de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, de kantonrechter of de bedrijfscommissie van de SER. Er staan wel enkele veranderingen in de WOR op stapel.

Bedrijfscommissie

Voordat de OR een geschil met de ondernemer aan de kantonrechter kan voorleggen, moet de bemiddelingsprocedure bij de bedrijfscommissie worden gevolgd. Die verplichting wordt afgeschaft in een recent ingediend wetsvoorstel tot aanpassing van de WOR (wetsvoorstel 33367). De OR heeft straks de keuze om de bedrijfscommissie bij een conflict in te schakelen. Stapt de OR echter direct naar de kantonrechter dan zal niet-ontvankelijkheid dus achterwege blijven. 

Scholing

Voor kwalitatief goede medezeggenschap is scholing van OR-leden van belang. Artikel 22 WOR bepaalt nu al dat de kosten van opleiding voor rekening van de ondernemer komen. Op dit moment kost dit de ondernemer 0,013% van de loonsom, af te dragen aan het Gemeenschappelijk Begeleidingsinstituut Ondernemingsraden (GBIO). Die verplichte afdracht komt in de nieuwe wet te vervallen. Wel blijft de ondernemer verplicht de redelijke kosten voor scholing van OR-leden te betalen, maar dan direct aan het scholingsinstituut. Ook houden OR-leden recht op minimaal vijf dagen scholing per jaar. 

Richtbedrag voor scholing

De Minister verwacht niet dat de ondernemers minder aan scholing gaan betalen dan nu op basis van dat percentage. Ondernemers zien namelijk in dat kwalitatief goede medezeggenschap bijdraagt aan het goed functioneren van de onderneming. De SER gaat een niet bindend richtbedrag vaststellen voor de jaarlijkse scholingskosten. Als er geen overeenstemming tussen de OR en de ondernemer komt over de scholingskosten dan kan toch weer, facultatief, de bedrijfscommissie worden ingeschakeld. Dat er geschillen over scholingskosten gaan ontstaan, is zeker niet denkbeeldig. 

Verplichte OR

Bijna 30% van de ondernemingen die een OR zou moeten hebben op basis van het aantal medewerkers, heeft geen OR ingesteld. Desondanks geeft de Minister aan dat bijna 90% van de ondernemingen wel de meerwaarde van de OR ziet:

1. als extra informatiekanaal over wat er op de werkvloer speelt;

2. voor het verkrijgen van draagvlak voor beslissingen;

3. bij het onderhandelen over personeelsbelangen.

Het wetsvoorstel introduceert een nieuwe taak voor de SER: het via een commissie bevorderen van de medezeggenschap in de ondernemingen. Mogelijk kan die commissie een bijdrage leveren aan het naleven van de wettelijke plicht vanaf 50 medewerkers een OR in te stellen. 

Invoering

1 januari 2013 wordt niet gehaald als invoeringsdatum van de voorgestelde wijzigingen in de WOR. Wel vertrouwt de Minister er op dat de SER in 2013 al niet meer de heffing van 0,013% van de loonsom op zal leggen. In goed overleg tussen OR en ondernemer zal zijn inziens dan worden gekomen tot naleving van de verplichting dat de ondernemer de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor scholing betaalt. Mogelijk dat OR’en door de recente onderzoeken en dit wetsvoorstel alerter worden op hun rechten.

Zie ook elders Ondernemingsraad.


Publicatiedatum:19 december 2012