Zorgplicht versus opzet; het belang van wedden op twee paarden

Eerder al schreef ik over de verschillende grondslagen voor werkgeversaansprakelijkheid en de toenemende mate waarin de verzekeringen van de werkgever hierin een rol spelen (zie weblog 16-5-2011: Hoe zit het ook al weer met werkgeversaansprakelijkheid?). Op een meer primair onderdeel van het vraagstuk werkgeversaansprakelijkheid, heeft de Hoge Raad op 24 juni jl. een verhelderend arrest gewezen.

Een werkgever heeft een verregaande wettelijke zorgplicht om zijn werknemers te beschermen tegen gevaarlijke situaties op de werkvloer (ook situaties buiten de werksfeer kunnen voor risico van de werkgever komen, maar dat gaat buiten het bestek van deze weblog). Deze wettelijke zorgplicht, die is neergelegd in artikel 7:658 BW, komt er kort gezegd op neer dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij voldaan heeft aan zijn zorgplicht óf dat ten aanzien van de werknemer sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid terzake de schadeveroorzakende gebeurtenis.

De casus van voornoemd arrest betrof een (ingeleende) werknemer die tijdens zijn werkzaamheden door een dak was gezakt. De werknemer sprak de werkgever aan tot vergoeding van de hierdoor geleden schade. Vast was komen te staan dat de werknemer zelf niet de benodigde veiligheidsmaatregelen had getroffen, maar niet had gehandeld uit opzet of bewuste roekeloosheid. In cassatie handelde de discussie met name om de vraag of het niet in acht hebben genomen van veiligheidsmaatregelen door de werknemer, pas voor zijn risico kon komen indien aangenomen zou worden dat opzet of bewust roekeloos gedrag in het spel waren geweest. De redenering van de werknemer kwam er in feite op neer dat, nu reeds was vastgesteld dat geen sprake was van opzettelijk handelen, de door hem geleden schade het gevolg was van de schending van de zorgplicht door de werkgever. De Hoge Raad was een andere mening toegedaan en oordeelde expliciet dat de zorgplicht van de werkgever en de kwestie terzake roekeloos handelen van de werknemer geen communicerende vaten zijn. Een werkgever kan aldus ook aan zijn zorgplicht hebben voldaan indien vast is komen te staan dat de werknemer niet opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld.

Het voorgaande is in die zin opmerkelijk dat de Hoge Raad hier voor het eerst het onderscheid tussen beide elementen van het wetsartikel dusdanig helder heeft benadrukt. Op zich was dit onderscheid overigens altijd al af te leiden uit het artikel dat niet voor niets spreekt van het hebben voldaan aan de zorgplicht óf van opzettelijk of bewust roekeloos handelen. Ondanks dat de letter van de wet dus reeds vrij helder was, bleek het er in de praktijk vaak op neer te komen dat een partij in een gerechtelijke procedure voor één anker ging liggen in de redenering dat het één het ander uitsloot of juist impliceerde.

Dit arrest van de Hoge Raad benadrukt echter nogmaals dat een werkgever die wordt aangesproken ter vergoeding van door een werknemer geleden schade twee afzonderlijke argumenten ten dienste staan ter afwering van aansprakelijkheid: zowel dat sprake was van opzettelijk of bewust roekeloos handelen van de werknemer, als het standpunt dat zij aan haar wettelijke zorgplicht heeft voldaan. Een negatief oordeel over de eerste grondslag sluit een geslaagd beroep op de tweede dus niet uit. Bepaalde situaties zijn nu eenmaal enkel aan te merken als louter pech.


Publicatiedatum:17 augustus 2011