Raad van State ondersteunt stedelijke ontwikkeling

Raad van State ondersteunt stedelijke ontwikkeling

In het geval van stedelijke ontwikkeling kunnen lokale overheden daartoe in bepaalde gevallen gronden bestemmen die vallen buiten het bestaand stedelijk gebied, ook al is er sprake van strijd met het bestemmingsplan. Om zo veel mogelijk te stimuleren dat de schaarse ruimte zorgvuldig wordt gebruikt, gelden hiervoor wel extra motiveringseisen (de zogenoemde “ladder voor duurzame verstedelijking” in artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Echter, als het niet gaat om stedelijke ontwikkeling, kunnen de gronden niet aangewend worden als er sprake is van strijd met de bestemming, en komt men dus niet aan de motiveringseis toe.  De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 24 februari 2016  bepaald dat de verplaatsing van een manege in het onderhavige geval was aan te merken als een stedelijke ontwikkeling, waarmee de Afdeling vrij snel lijkt aan te nemen dat een ontwikkeling ‘stedelijk’ is. In het onderhavige geval ging het om een manege met juist veel behoefte aan buitenruimte. Het terrein had een totaal oppervlak van 34.440 m2 waarvan slechts 4.687 m2 werd bebouwd. Er waren slechts twee binnenbakken tegenover wel zes buitenbakken. Daarnaast geldt dat in de handreiking “De paardenhouderij in het omgevingsrecht” van de VNG en de Sectorraad Paarden (2014) is aangegeven dat vestiging in het buitengebied van een paardenhouderij het meest voor de hand ligt. Bovendien staat in de handreiking dat een paardenhouderij vanwege de uitstraling op de omgeving meestal niet met andere, meer stedelijke, functies kan worden gecombineerd. Het is in die zin dus wel opvallend dat de Afdeling de verplaatsing van de manege als een stedelijke ontwikkeling ziet. De Afdeling heeft haar beslissing in deze niet uitgebreid gemotiveerd, maar die motivering laat zich niet moeilijk raden. Ingevolge artikel 1.1.1 lid 1 onder i Bro is stedelijke ontwikkeling: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De manege valt, bij gebreke van toepassing van de andere predikaten, onder ‘andere stedelijke voorzieningen’ . Onder dit laatste begrip vallen  ‘accomodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure’ (Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking, Ministerie Infra&Milieu). De manege zou dan beschouwd kunnen worden als indoor sportaccomodatie, waarmee zij alsdan, mede gezien haar grote omvang, kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Het feit dat de manege feitelijk grotendeels buitenruimte betreft, is voor dit oordeel kennelijk niet relevant. Het oordeel van de Afdeling is vergelijkbaar met een eerdere uitspraak over een mestvergistingsinstallatie. Volgens de gemeenteraad had de mestvergister een lokaal agrarisch karakter, en volgde uit de planregels dat de installatie functioneel verbonden was aan een bestaand agrarisch bedrijf. Zij meende dat er daarom geen sprake was van stedelijke ontwikkeling. De Afdeling overwoog echter dat er wel sprake was van stedelijke ontwikkeling, omdat de grond van de mestvergister wijzigde van een agrarische- naar een bedrijfsbestemming. Hier was de binding met het agrarisch bedrijf dus ook niet relevant voor het oordeel. De specialisten van GMW staan u graag met raad en daad bij in procedures over de stedelijke ontwikkeling.


Publicatiedatum:31 augustus 2016