Pandrecht op een verpande vordering

Wie geld uitleent, zal dit terug willen ontvangen. Om de risico’s dat de geldlener niet terugbetaalt, of zelf failliet verklaard wordt, te beperken, kunnen zekerheden worden gevestigd. Zoals een recht van hypotheek op een huis, een persoonlijke garantstelling van een andere partij, of een pandrecht op vorderingen die de geldlener op anderen heeft. Ik schreef over dit onderwerp van verpanding van geldvorderingen eerder meerdere blogs, zoals over de geldigheid van verpanding door middel van een volmacht, de gevolgen van verpanding, en de vraag wat nu eigenlijk onder het pandrecht valt. In het verlengde daarvan, heeft de Hoge Raad onlangs antwoord gegeven op de vraag, of iemand die een pandrecht heeft op een vordering, ook aanspraak kan maken op de zekerheidsrechten die aan die verpande vordering verbonden zijn. Bijvoorbeeld: A leent een geldbedrag uit aan B, en krijgt als zekerheid een pandrecht op de vordering die B heeft op C (pandrecht 1). Als nu B ter verzekering van zijn vordering op C een pandrecht heeft op de vordering die C heeft op D (pandrecht 2), kan A dan op dat pandrecht aanspraak maken en rechtstreeks D aanspreken tot betaling?

Beslag op een vordering treft ook de daar aan verbonden zekerheden

In 2005 had de Hoge Raad al beslist dat degene die een beslag legt op een vordering die versterkt is met hypotheekrecht, ook dat hypotheekrecht mag uitoefenen. Anders gezegd, Z heeft een huis gekocht, en daarvoor geld geleend van X Bank. X Bank heeft een hypotheekrecht op die woning gekregen, en mag het huis van Z dus executoriaal verkopen als hij zijn rente en aflossing niet betaalt. Wie een vonnis heeft verkregen tegen X Bank, en op grond daarvan beslag legt op de vordering die X Bank heeft op Z, mag ook gebruik maken van het hypotheekrecht van X Bank, en dus woning van Z verkopen. In zijn uitspraak van 18 december 2015 (ABN AMRO/Marell) bevestigt de Hoge Raad dat ook de pandhouder van een gesecureerde vordering, inderdaad ook het zekerheidsrecht waarmee die vordering op haar beurt is zekergesteld, kan uitoefenen. Om terug te komen op het voorbeeld: geldlener A mag inderdaad rechtstreeks debiteur D aanspreken tot betaling. B had haar vordering op C immers aan A verpand. Als pandhouder is A derhalve gerechtigd om de vordering van B op C te incasseren. De vordering van B op C was op haar beurt ook verzekerd door een pandrecht, en wel een pandrecht op de vordering van C op D. De bevoegdheid van A om de vordering van B op C in innen, omvat tevens de bevoegdheid tot uitwinning van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten, oordeelde de Hoge Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak uit 2005.