Payrolling: de uitholling zet door

Opnieuw is het werkgeversbegrip in de payrollconstructie onderwerp van een uitspraak. Eind april schreef ik al over het oordeel van de Kantonrechter Almelo, dat een payrollonderneming niet als werkgever kan worden aangemerkt. In die betreffende uitspraak werd geoordeeld dat in de verhouding van de payrollonderneming tot de payrollwerknemer, feitelijk werkgeverschap geheel ontbreekt (zie blog “Teloorgang van de Payrollconstructie”). Op basis van die argumentatie werd een payrollonderneming niet-ontvankelijk verklaard in haar ontbindingsverzoek.

Dagvaarding voor zowel werkgevers als payrollbedrijf

In een uitspraak van 13 may jl. (publicatiedatum 19 juni 2013, JAR 2013/144) is – overigens wederom door de Kantonrechter Almelo – deze lijn voortgezet. In deze kwestie was een loonvordering van een werknemer aan de orde. De werknemer was formeel in dienst bij de payrollonderneming en verrichtte zijn werkzaamheden bij de opdrachtgever van de payrollonderneming. In deze kwestie ging het er niet zo zeer om te bepalen wie nu als werkgever kon worden aangemerkt, maar had de werknemer het zekere voor het onzekere gekozen en beide ondernemingen gedagvaard.

Geen arbeidsovereenkomst

De Kantonrechter oordeelde dat de werknemer terecht beide ondernemingen had aangesproken. De onderneming waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht, kan als daadwerkelijk werkgever tot loonbetaling worden aangesproken. Echter, de werknemer komt eenzelfde vordering toe ten opzichte van de payrollonderneming. Op basis van de payrollovereenkomst wordt de payrollonderneming geacht zich te hebben verbonden tot betaling van “loon”. Aldus de Kantonrechter Almelo, die daarmee opnieuw haar opvatting onderstreept dat het werkgeversbegrip in een payrollverhouding niet thuishoort. De payrollonderneming werd daarmee eveneens gehouden het loon te voldoen, maar niet voordat dus nogmaals werd onderstreept dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is.