Politie aansprakelijk voor drama Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn
Politie aansprakelijk voor drama Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn

Politie aansprakelijk voor drama Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn

Op 9 april 2011 vond in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn een schietpartij plaats. Tristan van der Vlis schoot met verschillende vuurwapens om zich heen. Zes mensen zijn hierbij om het leven gekomen en zestien mensen zijn gewond geraakt, voordat Van der Vlis zichzelf van het leven beroofde (bekijk hier de NOS-reportage).

Naast de grote impact op de samenleving ontstond ook maatschappelijke ophef. Hoe kon een man met Van der Vlis’ verleden aan een vergunning voor vuurwapens komen? In deze blog behandel ik de juridische aspecten van de aansprakelijkheid voor het schietdrama, aan de hand van het arrest van het Haagse gerechtshof van 28 maart 2018.

Onrechtmatige daad

Bij gebeurtenissen als de schietpartij in Alphen aan den Rijn, ligt de nadruk in de eerste plaats vaak op de strafrechtelijke aspecten van de zaak, vooral indien de dader nog leeft. Er bestaat echter ook een civielrechtelijke verhouding tussen daders en slachtoffers, deze verhouding komt in verreweg de meeste gevallen tot uiting via het leerstuk van de onrechtmatige daad. Artikel 6:162 BW e.v. bepaalt of sprake is van een onrechtmatige daad en of de dader schade dient te vergoeden.

Voorwaarden onrechtmatige daad

Er dient sprake te zijn van een doen of nalaten dat onrechtmatig is, hiervan kan sprake zijn bij een inbreuk op een recht, overtreding van een wet of een gedraging die volgens ongeschreven recht onrechtmatig is. Vervolgens dient door deze onrechtmatige daad schade te zijn ontstaan. Met het vaststellen van het zogeheten “causale verband” kan bepaald worden of de schade (in)direct ontstaan is door de onrechtmatige gedraging. Vervolgens is van belang dat de daad of het nalaten aan de dader toegerekend kan worden.

Een lastige voorwaarde bij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, is het relativiteitsvereiste. Dit houdt kort gezegd in dat een bepaalde daad wel onrechtmatig kan zijn, maar dat indien de geschonden norm of wet niet beoogde de slachtoffers te beschermen, er door hen geen beroep op 6:162 BW gedaan kan worden. Een voorbeeld hiervan volgt uit het beroemde Tandartsen-arrest uit 1958. Een groep bevoegde tandartsen meende dat een onbevoegde tandarts, Dorenbos, onrechtmatig jegens hen handelde door in strijd met de wet zonder vergunning zijn “beroep” uit te oefenen. De Hoge Raad oordeelde echter dat de geschonden norm (een verplichte vergunning) de potentiële patiënten diende te beschermen en niet de concurrentiepositie van de overige tandartsen.

Aansprakelijkheid ouders

In juni 2017 besliste de rechtbank Den Haag dat de ouders van Tristan niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor het drama dat door hun zoon ontstond. De eisers hadden gesteld dat Tristans ouders nalatig waren geweest. De rechtbank oordeelde echter dat de ouders erop mochten vertrouwen dat de procedure inzake de wapenvergunning op een juiste wijze door het bevoegde orgaan (de politie) behandeld zou worden. Bovendien hadden de ouders geen enkele kennis over de plannen van Tristan.

Aansprakelijkheid politie

Tristan had reeds in 2005 een wapenvergunning aangevraagd. Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij in het verleden in het bezit van illegale luchtdrukwapens was geweest. In 2006 was Tristan tijdelijk opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, wegens suïcidale neigingen. In 2007 werd hij lid van een schietvereniging, waarna hij in 2008 voor de tweede maal een wapenvergunning aanvroeg. Ditmaal besloot het bevoegde orgaan (destijds Politieregio Hollands Midden, tegenwoordig “De Nationale Politie, Regionale Eenheid Den Haag”), Tristan een wapenvergunning te verlenen.

Bij deze beoordeling is geen acht geslagen op de eerste afwijzing uit 2005, Tristans opname in een psychiatrisch ziekenhuis werd evenmin meegenomen. Bij juiste naleving van de Wet Wapens en Munitie, en dan met name toetsing van de artikelen 28 en 7, had Tristan nooit een wapenvergunning mogen krijgen. Met de wapenvergunning kocht hij een semiautomatisch geweer, een pistool en een revolver. Deze wapens gebruikte Tristan gedurende het drama in De Ridderhof.

Relativiteit

De rechtbank Den Haag oordeelde in 2015 dat de procedurele fouten van de Politieregio Hollands Midden onrechtmatig waren. Bepaalde wettelijke voorschriften en specifieke zorgvuldigheidsnormen waren immers geschonden. Echter, deze normen beoogden niet individuele belangen (de slachtoffers) te beschermen, maar dienden ter bescherming van een algemeen belang, aldus de rechtbank. Met verwijzing naar het relativiteitsvereiste wees de rechtbank de vorderingen af.

Het gerechtshof Den Haag maakte op 28 maart 2018 korte metten met dit oordeel. Het hof oordeelde dat de wetten inzake wapenbezit niet slechts zien op bescherming van het collectief belang, maar ook op bescherming van individuele burgers. Hiermee was ook aan het relativiteitsvereiste voldaan: de Politieregio Hollands Midden wordt (mede)aansprakelijk gehouden voor het drama in Alphen aan den Rijn. Het gerechtshof oordeelde wel dat alleen letsel- en overlijdensschade aan de politie toegerekend kan worden, overige schadeposten (zoals vernielde winkelruiten en meubilair) vallen buiten de aansprakelijkheid. Hierbij werd niet duidelijk waar het hof dit onderscheid tussen de toerekening van schadeposten op baseert.

Conclusie

Op basis van het arrest van het hof wordt de politie (mede)aansprakelijk gehouden voor de dodelijke schietpartij in De Ridderhof. Vanuit de maatschappij wordt hier wisselend op gereageerd: enerzijds ziet men het oordeel als concrete bevestiging dat de politie enorme fouten heeft gemaakt, anderzijds bestaan twijfels over het toerekenen van de daden van een psychopaat aan de politie, tevens bestaat angst voor een claimcultuur.

Heeft u vragen over civielrechtelijke aansprakelijkheid naast een strafrechtelijke procedure, of over aansprakelijkheid in het algemeen? Dan kunt u altijd contact met mij opnemen.