Slapend dienstverband en pensioen
Slapend dienstverband en pensioen

Slapend dienstverband en pensioen

Werkgevers gaan niet altijd over tot ontslag van werknemers die langer dan twee jaar ziek zijn. Bijvoorbeeld omdat zij binnen korte tijd herstel of passend werk verwachten. Deze situatie wordt ook wel een ‘slapend dienstverband’ genoemd. In zijn arrest van afgelopen november heeft de Hoge Raad bepaald dat de werkgever op verzoek van een langdurig zieke werknemer de arbeidsovereenkomst moet beëindigen, met betaling van een transitievergoeding. Onlangs oordeelde het hof dat deze verplichting ook geldt tegenover een werknemer die tijdens zijn ziekte de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

De werknemer in kwestie was sinds 2008 in dienst en raakte in 2015 arbeidsongeschikt. In 2018, drie jaar na aanvang van zijn ziekte, stelde de werknemer aan de werkgever voor om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding.

Compensatieregeling

De werknemer wees hierbij ook op de compensatieregeling die het werkgevers mogelijk maakt om compensatie te ontvangen voor de betaalde transitievergoeding. De werkgever reageerde echter afwijzend op dit voorstel en hield het slapend dienstverband in stand. In 2019 bereikte de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, waardoor het dienstverband van rechtswege eindigde.

Langdurig

Hierop stapte de werknemer naar de rechter met het verzoek om een transitievergoeding. Het hof oordeelde dat de werkgever had moeten instemmen met het voorstel van werknemer tot beëindiging van het slapend dienstverband. De werknemer was langdurig ziek en er waren geen re-integratiemogelijkheden.

Belang

De werkgever had ook geen ander gerechtvaardigd belang bij instandhouding van het dienstverband tot de datum waarop werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Het hof woog mee dat werkgevers aanspraak kunnen maken op compensatie van de betaalde transitievergoeding. Ondanks het feit dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, moest de werkgever een vergoeding betalen aan de werknemer. In het licht van het arrest van de Hoge Raad besloot het hof dat het in strijd met goed werkgeverschap is om het slapend dienstverband in stand te houden tot het moment waarop de werknemer met pensioen gaat.

Hoogte

Doordat het dienstverband in kwestie inmiddels was geëindigd door pensionering, hoefde de werkgever geen transitievergoeding te betalen, maar wel een vergoeding ter hoogte daarvan. De werkgever kon in deze situatie geen aanspraak meer maken op de compensatieregeling. Deze aanspraak was er wel geweest als hij had ingestemd met het voorstel van de werknemer om het dienstverband te beëindigen.

Houd slapende dienstverbanden niet onnodig in stand

Het argument dat werkgevers op kosten worden gejaagd door de plicht om slapende dienstverbanden te beëindigen, gaat niet meer op. Werkgevers kunnen sinds 1 april 2020 bij UWV compensatie aanvragen als zij een langdurig zieke werknemer ontslaan. Hiermee krijgen zij met terugwerkende kracht de transitievergoeding terug bij dienstverbanden die zijn geëindigd op of na 1 juli 2015. Werkgevers moeten wel aantonen dat de werknemer ontslagen is wegens langdurige ziekte. Bovendien moet de transitievergoeding op basis van de wet verschuldigd én aan de werknemer uitbetaald zijn.

Als u als werkgever belang hebt bij het voortzetten van het dienstverband, kunt u het slapend dienstverband in stand laten. Hiervan kan sprake zijn bij een re-integratiemogelijkheid. Het feit dat de werknemer bijna zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is geen belang. Als er geen belang is om het dienstverband voort te zetten, is het raadzaam om in te stemmen met het voorstel van de zieke werknemer om het dienstverband te beëindigen. Dit geldt ook wanneer pensionering in zicht is. Daarmee voorkomt u dat u achteraf een vergoeding aan de werknemer moet betalen en geen aanspraak kunt maken op de compensatieregeling.

Heeft u een vraag? Neemt u dan gerust contact met mij op. 

Dit artikel verscheen eerder in Rendement.

Gerechtshof Den Haag, 4 februari 2020, ECLI (verkort): 146