Vaccineren minderjarig
Vaccineren minderjarig

Toestemming voor het vaccineren van een minderjarig kind (tegen COVID-19)

Het vaccineren van kinderen volgens het Rijksvaccinatieprogramma wordt gezien als een medische behandeling van kinderen. Ten aanzien van de toestemming voor een vaccinatie wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende leeftijdsgroepen. Bij kinderen jonger dan 12 jaar oud is toestemming nodig van beide ouders die zijn belast met het gezag over het kind voor de vaccinatie. Bij kinderen tussen de 12 en 15 jaar oud is toestemming van beide ouders met het gezag en het kind zelf nodig voor de vaccinatie. Kinderen van 16 en 17 jaar oud beslissen zelf of zij wel of niet worden gevaccineerd.

Toestemming van de rechtbank voor vaccinatie

In de situatie waarin beide ouders met het gezag over hun kind toestemming moeten verlenen voor de vaccinatie, maar één van de ouders de toestemming weigert, kan de rechtbank om vervangende toestemming voor de vaccinatie worden gevraagd. Deze vervangende toestemming kan worden gevraagd op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat geval neemt de rechtbank een beslissing die in het belang van het kind wenselijk is.

Er zijn verschillende uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven te vinden waarin door één van de ouders een verzoek om vervangende toestemming voor het vaccineren van een kind is gevraagd. In deze zaken zijn door de weigerende ouder verschillende argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van het standpunt dat het kind niet dient te worden gevaccineerd. Deze argumenten waren onder andere dat vaccinatie niet in het belang van het kind is omdat de vaccins schadelijke bijwerkingen hebben, het vaccin meer kwaad dan goed doet, kinderziektes onschuldig zijn, vaccinatie overbodig is bij al aanwezige antistoffen in het lichaam van het kind en dat het het recht van een ouder is om een levensovertuiging vrij te belijden.

Ondanks de verschillende argumenten van de weigerende ouders, worden door de rechtbanken en de gerechtshoven de bezwaren vrijwel altijd verworpen. Geoordeeld wordt dat ondanks andere opinies over vaccinaties die in de afgelopen jaren naar voren zijn gebracht, de heersende leer nog altijd is dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Verder wordt door de rechtbanken en gerechtshoven overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen, het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.

Kortom, ondanks verschillende bezwaren van ouders tegen het vaccineren, is de lijn in het oordeel van rechtbanken en gerechtshoven dat het in het belang van kinderen is om volgens het Rijksvaccinatieprogramma te worden gevaccineerd. Aan de ouder die het kind wil laten vaccineren wordt vervangende toestemming verleend.

Toestemming voor COVID-19 vaccinatie

Sinds 6 juli 2021 is het conform het advies van de Gezondheidsraad mogelijk om ook kinderen tegen COVID-19 te laten vaccineren. Indien één van de gezaghebbende ouders van een kind hiervoor geen toestemming wenst te verlenen, kan de rechtbank om vervangende toestemming worden gevraagd. Het is de vraag hoe hiermee in de praktijk door rechtbanken zal worden omgegaan. Dit is afhankelijk van de argumenten van de weigerende ouder. Daarnaast zal moeten worden bezien of de rechtbank een COVID-19 vaccinatie in het belang van het kind acht, nu tot op heden is gebleken dat als kinderen al besmet raken met COVID-19, zij in principe niet erg ziek worden. Het is de vraag of rechters zullen oordelen dat het verlenen van toestemming voor een COVID-19 vaccinatie een zodanige beslissing is die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, conform artikel 1:253a BW.

Heeft u een vraag? Neem gerust contact met mij op.