Pensioenfonds Vleessector
Pensioenfonds Vleessector

Vakantie: door werknemer gewenst, door werkgever niet gehonoreerd

De zomervakantie 2014 staat voor de deur. Over vakantiewensen wordt tussen werkgevers en werknemers echter het hele jaar geprocedeerd. Zo oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 may 2014 over de wens van een werknemer met Kerst 2013 vrij te zijn, terwijl zijn werkgever dat niet (volledig) had gehonoreerd. Toen de werknemer niet op zijn werk verscheen op één van de door hem gewenste vakantiedagen volgde ontslag op staande voet. Geen geldig ontslag aldus het gerechtshof.

Vaststelling vakantie

De wettelijke hoofdregel zegt: de werkgever stelt de vakantie vast overeenkomstig de wens van de werknemer, tenzij daar tegen zwaarwegende redenen bestaan. De werkgever moet die dan binnen twee weken na het verzoek meedelen Doet de werkgever dat te laat, dan wordt de vakantie geacht te zijn vastgesteld overeenkomstig de wens van de werknemer. Tot zover artikel 7:638 BW.

Casus

In deze casus had de werknemer op 18 september gevraagd om van 23 – 31 december vakantie te mogen opnemen. De werkgever – een leverancier van levensmiddelen – had aangegeven hierop pas in week 51 definitief terug te kunnen komen, als duidelijk is welke werknemers allemaal vrij willen rond de feestdagen. De werknemer wilde zijn reis echter gaan plannen en verzocht herhaaldelijk om definitief uitsluitsel. Die gaf de werkgever pas op 18 december, waarbij dag 1 van het gewenste verlof (23 december) niet werd gehonoreerd. De werknemer had zijn vakantie inmiddels geboekt en verscheen op 23 december 2013 niet op zijn werk, met ontslag op staande voet tot gevolg.

Werkgever schendt vakantiewetgeving

Langs de lijnen van de hoofdregel van artikel 7:638 BW en een ouder arrest van de Hoge Raad uit 1961 over snipperdagen opnemen, komt het hof tot het oordeel dat de werkgever de regeling over vragen en toekennen van vakantie heeft miskend. De werkgever heeft veel te lang gewacht met reactie op de vakantiewens van de werknemer. Begrijpelijk is dat de werknemer intussen zijn vakantie al had geboekt. De ernst van de gedraging van de werknemer – één dag niet komen opdagen – rechtvaardigt niet de zwaarste arbeidsrechtelijke sanctie, gelet op de met de wet strijdige handelwijze van de werkgever door veel te laat een beslissing te nemen. Bovendien is ook nier gebleken dat bij het bedrijf een soort noodtoestand is ontstaan door het wegblijven van de werknemer op 23 december. Ontslag op staande voet is dus een te ver gaande sanctie.

Bedrijfsbelang vs werknemersbelang

Voor een werkgever is een goede planning van de bedrijfsactiviteiten in combinatie van de verlofmogelijkheden voor de werknemer uiteraard een bedrijfsbelang. Daar staat een belang van de werknemers tegenover om tijdig duidelijkheid te hebben over een gewenste vakantie teneinde die te kunnen plannen, zoals ook expliciet in de wet opgenomen (artikel 7:638 lid 4 BW). Om die reden staat er in de wet een korte reactietermijn voor de werkgever. De komende vakantieperiode zal blijken of de uiteenlopende wensen van werkgever en werknemer over vakantie opnemen tot procedures leiden. Voor werknemers is het van belang om tijdig vakantie aan te vragen en voor werkgevers om tijdig en overeenkomstig de wettelijke regeling, op de vakantiewensen te reageren. Die tijd geeft ook gelegenheid om in overleg nog tot afstemming over vakantie te komen, teneinde procedures als deze te vermijden. Ga naar de uitspraak