Bibob: tot hier en niet verder!

De Raad van State heeft als hoogste Nederlandse bestuursrechter nieuwe piketpalen geslagen in Bibob-zaken. De grenzen van mogelijkheden en bevoegdheden zijn daarmee verder afgebakend. De armslag van overheden is iets beperkter en zij die in het Bibob-vizier komen, hebben een extra instrument om de overheid tot zorgvuldig handelen aan te sporen.

Woensdag 27 februari 2008 heeft de Raad van State twee uitspraken (nr. 200706926/1 en nr. 200705100/1) gewezen waarin het Bibob-instrumentarium uitdrukkelijk aan de orde kwam. In beide gevallen met een duidelijk signaal aan de bevoegde overheden: tot hier en niet verder.

Het is ook mijn ervaring in Bibob-zaken dat de grenzen van handhavingsmogelijkheden wel heel snel worden opgezocht, het vertrouwen in het Justitiële Bibob-Bureau groot is, terwijl de onderliggende adviezen van dat Bureau juist hun ‘glans’ lijken te verliezen. Steeds vaker is het onderzoek (ver) onder de maat.

De uitspraken van woensdag 27 februari 2008 bieden duidelijkheid. Maar niet alle vragen die in Bibob-dossiers aan de orde komen, zijn al zo duidelijk neergezet. Ik ben vooral benieuwd naar twee zaken die nog niet in de rechtspraak aan de orde zijn geweest of niet goed aan de orde zijn gesteld.

Dat is allereerst de vraag of allerlei aspecten Straatsburg-proof zijn. Kortom de vraag of Bibob-regelgeving ook strooct met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, zoals dat door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg wordt uitgelegd. Bijvoorbeeld op het punt van het recht op eigendom zoals dat is omschreven in het Eerste Protocol bij genoemd Verdrag. De allereerste Haagse Bibob-zaak van een paar jaar terug is inmiddels in Straatsburg aangebracht en ontvankelijk verklaard, met ‘dank’ aan het geduld en het principiële doorzettingsvermogen van de belanghebbenden. De werkdruk van het Hof brengt mee dat een zitting nog op zich laat wachten.

Een andere belangrijke vraag richt zich op de vraag naar de mate van gevaar en de mogelijkheid ook de zakelijke verbanden van betrokkenen bij het Bibob onderzoek te betrekken. Naar mijn idee wordt zowel de mate van gevaar als het zakelijke samenwerkingsverband in de dossiers nog te eenvoudig aangenomen. Vaak met een verwijzing naar de memorie van toelichting bij het (toen nog) wetsvoorstel Bibob. Neem je de parlementaire geschiedenis echter onder de loep, dan zijn er belangrijke nuanceringen aan te treffen. Nuanceringen die in de rechtspraak nog niet zijn aangebracht.

Het wachten is op een geschikte zaak én een juist verweer. Gelet op de hoeveelheid Bibob-zaken zal de ‘wachtkamer’ niet lang gevuld blijven.