afspraken in de logistieke dienstverlening
afspraken in de logistieke dienstverlening

Het belang van het zorgvuldig vastleggen van afspraken in de logistieke dienstverlening

Begin 2021 schakelde Hubbel Lastmile B.V. (“Hubbel”) GMW advocaten in om haar bij te staan/haar te adviseren over het juridische framework. De reden was in verband met de uitbreiding van haar bedrijfsmatige werkzaamheden. In deze blog leggen we het belang van het zorgvuldig vastleggen van afspraken in de logistieke dienstverlening uit.

Het relatief jonge Hubbel is in 2018 opgericht met de ambitie om Den Haag stad leefbaarder te maken met Slimme Groene Transport en Logistiek. Hubbel vindt dat de first en last mile in de stad slimmer en groener kan. Denk hierbij aan 100% Zero Emissie, zo min mogelijk kilometers en zo min mogelijk lege ruimte. Met diensten als op- en overslag, Hub-in-Hub, cross-docking, zero emissie stadsdistributie en handling & fulfilment, is Hubbel een modern en duurzaam bedrijf dat in korte tijd grote stappen maakt.

Verschillende verbintenissen

Het recht komt op ondernemers nog weleens over als een nodeloos vertragend en log instrument. Met name in vergelijking met het snelle handelen en optimaliseren van logistieke processen. Desalniettemin vormt de juridische basis een belangrijk fundament om op juiste wijze te kunnen ondernemen. Een standaard (huur)overeenkomst is vaak niet toereikend. Daar dienen verhuurders én huurders van een gehuurde ruimte ten behoeve van logistiek/transport, rekening mee te houden. Partijen gaan naast de huurrelatie vaak verschillende verbintenissen met elkaar aan, zoals transport en dienstverlening. Daarom is het van belang dat partijen op voorhand goed afspreken in welke situatie welke voorwaarden van toepassing zijn. Onderstaande voorbeelden uit de logistieke dienstverlening onderstrepen het belang van het zorgvuldig vastleggen van afspraken.

Toepasselijkheid Fenex voorwaarden[1]

Provimi (een onderneming gespecialiseerd in het maken van diervoeders en aanverwante producten) en Helm Hudig (logistieke dienstverlener) sloten in 2013 een Warehouse Agreement. In 2015 sloten zij een nagenoeg identieke tweede Warehouse Agreement.

Door een fout van Helm Hudig tijdens het order-picking proces op 4 mei 2016 is er een verkeerde palletlading geselecteerd. Dit gebeurde zonder een visuele eindinspectie uit te voeren. Hierdoor zijn de verkeerde varianten vitaminepillen geleverd en in het verkeer gebracht. Tussen partijen staat niet ter discussie dat er door Held Hudig een fout is gemaakt. Op grond van de Warehouse Agreement is Helm Hudig in beginsel gehouden aan Provimi alle verliezen, kosten, schade, vorderingen en claims (inclusief redelijke advocaatkosten) te vergoeden.

Wel staat ter discussie of de Fenex Voorwaarden voor Logistieke Activiteiten van toepassing zijn op de Warehousing Agreement. In dat geval is de aansprakelijkheid van Helm Hudig beperkt tot een maximumbedrag en vergoeding van slechts bepaalde schadeposten.

[1] Rb. Rotterdam 3 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5870, r.o. 4.5 t/m 4.9.

Wat was het oordeel?

Uit de onderlinge correspondentie blijkt dat Helm Hudig de Fenex voorwaarden van toepassing wilde verklaren. Provimi was hier echt geen voorstander van. Beide partijen hebben hier langdurig over gediscussieerd.  De Fenex voorwaarden zijn desondanks niet van toepassing verklaard op de Warehouse Agreement van 2013. Helm Hudig heeft tijdens de onderhandelingen over nieuwe voorwaarden benadrukt dat continuering van de samenwerking zonder toepasselijkheid van de Fenex voorwaarden geen optie was. Via de Financial Agreement behorend bij de Warehouse Agreement 2015 zijn de Fenex voorwaarden naderhand toch van toepassing verklaard. Waarschijnlijk is de betreffende bepaling aan de aandacht van Provimi ontsnapt.

De rechtbank Rotterdam oordeelt echter dat de Fenex voorwaarden niet van toepassing zijn. De verwijzing naar deze voorwaarden in de Financial Agreement is hiertoe onvoldoende. Temeer nu Provimi voortdurend toepassing van de Fenex voorwaarden heeft afgewezen. Helm Hudig is wél veroordeeld om het resterende gedeelte te vergoeden. Hoewel de hoogte van de schadevergoeding wordt bijgesteld door aanwezigheid van eigen schuld aan de zijde van Provimi.

Cross-docking en verzekering[2]

Kapiteyn B.V. exploiteert een bedrijf op het gebied van ontwikkeling en het verhandelen van bloembollen. Zij is middels een Transportgoederenverzekering verzekert tegen schade tijdens vervoer. Op grond van artikel 13 van de verzekeringsovereenkomst wordt schade veroorzaakt door één en dezelfde oorzaak op een locatie, niet zijnde een vervoermiddel, slechts tot een overeengekomen maximumbedrag van € 150.000,– vergoed.

Kapiteyn heeft met Denkers Shipping B.V. een overeenkomst gesloten met betrekking tot het transport van calla’s (bloemsoort) naar de Verenigde Staten van Amerika. De afspraak was om de calla’s op een temperatuur van 17 graden Celsius te vervoeren. De calla’s zijn in twee geïsoleerde en temperatuur gereguleerde reefer containers verscheept en op afzonderlijke data aangekomen bij de containerterminal van Bilkays. De eerste lading werd opgeslagen in een niet-temperatuur gereguleerde opslagruimte van Bilkays, de tweede container is via een oplegger in de buitenlucht geplaatst. Beide ladingen calla’s zijn blootgesteld aan een te lage temperatuur en onherstelbaar beschadigd, hetgeen leidde tot een schade van € 418.787,42.

Kapiteyn stelt dat sprake is van twee afzonderlijke schadevoorvallen, waardoor er tweemaal € 150.000,– vergoed zou moeten worden. De verzekeraar stelt dat het gaat om schade op één locatie door één en dezelfde oorzaak, waardoor er enkel € 150.000,– dient te worden voldaan.

[2] Hof Amsterdam 5 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:746, r.o. 3.9 en 3.10.

Wat oordeelde de rechtbank?

Bilkays was ingeschakeld voor het zogenaamde cross-docking: het uitladen van goederen uit het ene vervoermiddel en het inladen in het andere vervoermiddel. Zij maakten daarvoor gebruik van een oplegger. Het hof oordeelt dat het gebruik van een oplegger geen gebruik van een zelfstandig vervoermiddel is, temeer omdat het als tijdelijk opslagmiddel en niet als werkelijk vervoermiddel door Biklays werd gebruikt. De calla’s waren in het proces van cross-docking op het terrein van Bilkays gestald in afwachting van verder transport. Beide ladingen zijn beschadigd door één en dezelfde oorzaak: blootstelling aan een te lage temperatuur. Conclusie van het Hof is dan ook dat de verzekeraar een beroep op artikel 13 kon doen (en dat cross-docking in de regel dus geen aparte transporthandeling middels andere vervoermiddelen is).

Conclusie

In beide zaken trok een specialist op het gebied van logistiek en transport aan het kortste eind, terwijl de ingenomen standpunten niet onredelijk en zelfs logisch overkomen. Het toont aan dat het van belang is om toe te zien op een stevig en duidelijk juridisch fundament voor de bedrijfsvoering.

De les is dan ook dat deelnemers in het logistieke proces zorgvuldig dienen na te gaan welke voorwaarden van toepassing zouden moeten zijn op hun diensten en bedrijfsvoering.

Heeft u vragen of wilt u advies? Neem dan direct contact met ons op.