“Ik bied 10% en anders niets!”

Het crediteurenakkoord. Inmiddels worden steeds meer bedrijven daarmee geconfronteerd. Als advocaat krijg ik dan vaak de vraag of men met het bod akkoord moet gaan. Een eenduidig antwoord is daar niet op te geven.

Per aanbod moet worden bekeken of het een goed aanbod is. U kunt daarvoor op de volgende zaken letten. Een aanbod dient goed onderbouwd te zijn. Zo moet er een duidelijke brief bij zitten waarin staat aangegeven wat er is gebeurd, welk bod er wordt gedaan en hoe dat is onderbouwd. Er moet een crediteurenlijst en een lijst met baten bijzitten, alsmede jaarrekeningen. Verder moet duidelijk zijn of een derde het akkoord financiert, of dat het geld uit eigen middelen wordt voldaan. Bij een natuurlijk persoon is het bijvoorbeeld ook van belang om te weten wat er in een wsnp (wet schuldsanering natuurlijke personen) uitgekeerd zou kunnen worden.

Ook is het goed om te weten of er al een regeling met de Belastingdienst is getroffen of dat daar al mee wordt gesproken. De hoofdregel is namelijk dat de Belastingdienst 2x het percentage krijgt van de overige crediteuren. Indien u 10% krijgt aangeboden, zal de Belastingdienst dus 20% moeten krijgen. Dat heeft te maken met preferentie in het faillissement en is overal geaccepteerd.

Daarnaast is het raadzaam om te informeren naar het standpunt van de (huis)bank.

Eén hoofdregel is er niet, maar met deze informatie kunt u een akkoord wellicht beter beoordelen. Mocht u vragen hebben, of wilt u juridisch advies inzake een akkoord, dan kunt u altijd contact met mij opnemen.


Publicatiedatum:25 januari 2012