Zodra een kind 18 jaar is, moet die alimentatie aan het kind worden betaald. Er hoeft dan geen nieuwe beoordeling van het te betalen bedrag plaats te vinden. Tot het kind 21 jaar oud is, wordt de behoefte aan de bijdrage verondersteld.
Vaststellen bijdrage voor kinderen jonger dan 18
Voor het vaststellen van een bijdrage voor een minderjarig kind (jonger dan 18 jaar) is een systeem ontwikkeld op basis waarvan wordt berekend hoe hoog het bedrag is dat hij of zij nodig heeft voor de opvoeding en levensonderhoud. Dat noemen we de behoefte. De hoogte van de behoefte is afhankelijk van het inkomen van beide ouders ten tijde van het laatste jaar van samenwoning. Vervolgens wordt bepaald welk bedrag de ouders per persoon moeten bijdragen in die behoefte. Er wordt op basis van hun huidige inkomen berekend welk bedrag zij hiervoor kunnen betalen.
Vaststellen bijdrage voor kinderen van 18 tot 21 jaar oud
Voor het vaststellen van de bijdrage voor een kind dat de leeftijd van 18 jaar of ouder reeds heeft bereikt, blijft het moeilijk. Van jongmeerderjarigen (kinderen van 18 tot 21 jaar oud) wordt op grond van de wet niet verwacht dat zij zelf in de kosten van hun studie en levensonderhoud (kunnen) voorzien. Hun ouders zijn onderhoudsplichtig en dienen aan die kosten bij te dragen.
Een praktijkvoorbeeld
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2530) stond de bijdrage van een vader in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn jongmeerderjarige zoon centraal. De rechtbank had de bijdrage voor de jongmeerderjarige vastgesteld op € 950,- per maand. De vader vond dat te hoog en stelde dat hij maximaal € 25,- per maand kon betalen. Het hof gaf hem (grotendeels) ongelijk. Het hof benadrukte dat ouders ook na de achttiende verjaardag in beginsel onderhoudsplichtig blijven tot het kind 21 jaar is. Voor de hoogte van de bijdrage wordt gekeken naar de behoefte van de jongmeerderjarige, zijn eigen inkomsten en de draagkracht van beide ouders.
Voor de jongmeerderjarige sloot het hof aan bij de WSF-norm. Omdat hij eerst thuis woonde en later bij zijn oma op kamers, wilde de vader dat de wooncomponent in mindering zou worden gebracht. Het hof ging hierin mee en bracht een bedrag van € 223,- per maand in mindering op de te betalen bijdrage. Daarnaast hield het hof ook rekening met structurele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige van gemiddeld € 350,- netto per maand. Daardoor resteerde een behoefte van € 450,- per maand in 2022, na wettelijke indexering was dat € 465,- in 2023 en € 494,- in 2024.
Vervolgens beoordeelde het hof de draagkracht van beide ouders. Op basis van de draagkrachtverhouding tussen hen bepaalde het hof dat de vader in 2023 € 243,- per maand moet betalen aan de jongmeerderjarige. In 2024 werd dat € 247,- per maand. Een terugbetaling van het tot nu toe te veel betaalde hoefde niet.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat een onderhoudsplicht voor een jongmeerderjarig kind niet snel vervalt. Het enkele feit dat een kind studeert of zelf wat verdient, is onvoldoende om de bijdrage volledig te laten vervallen. Wel kunnen structurele eigen inkomsten en de financiële positie van beide ouders leiden tot een lagere bijdrage. Wie verlaging of beëindiging van de bijdrage wil, moet dat goed onderbouwen met concrete financiële gegevens.
Het blijft lastig om vast te stellen hoe hoog de bijdrage moet zijn die aan het jongmeerderjarige kind moet worden betaald.
Contact & advies
Heeft u vragen over kinderalimentatie? Neem dan gerust contact met ons op.