Aansprakelijkheid bij groepskrediet

In faillissementen spelen vaak problemen omtrent de aansprakelijkheid in verband met een kredietfaciliteit die door een groep vennootschappen is aangegaan. Men spreekt daarbij van een compte joint- en medeaansprakelijkheidsovereenkomst. Onlangs werd zo’n probleem voorgelegd aan de Rechtbank Amsterdam. De curator viste in dat geval achter het net.

Compte joint- en medeaansprakelijkheidsovereenkomst

Op 13 augustus 1990 had een groep vennootschappen zo’n medeaansprakelijkheidsovereenkomst met de bank gesloten. Een bepaling uit die overeenkomst luidde dat partijen zich over en weer volledig hoofdelijk aansprakelijk stelden voor al hetgeen zij of één hunner aan de bank schuldig was of zou worden, uit welke hoofde dan ook. Op 23 december 2008 werd één van de vennootschappen failliet verklaard. De rekening-courant van gefailleerde met de bank vertoonde toen een debetsaldo van € 230.000,-.

Op 6 februari 2009 betaalde een zustervennootschap van gefailleerde een bedrag van € 232.000,- door overmaking op de rekening van gefailleerde. Begin maart en begin april 2009 volgden nog enkele kleine betalingen waarna de rekening van gefailleerde met saldo nihil werd afgesloten.

Curator: geen verrekening, geen instemming

De curator wenste deze betalingen van in totaal ruim € 242.000,-, vermeerderd met rente en kosten van de bank terug te krijgen en begon een procedure tegen de bank. Aan zijn vorderingen legde hij ten grondslag dat de bank de gestorte bedragen ten onrechte had verrekend met haar vordering op gefailleerde. Hij beriep zich daarbij op de artikelen 53 Fw en 54 Fw. Zijns inziens kon er geen sprake zijn van verrekening op grond van die artikelen. Zou er geen sprake zijn van verrekening dan zouden, zo meende de curator, betalingen door de zustervennootschap aan gefailleerde betreffen, die in de boedel zouden vallen en daarmee ten goede zouden moeten komen aan alle crediteuren en niet alleen aan de bank. De curator had, zo gaf hij aan, niet ingestemd met dergelijke betalingen.

Bank: rechtstreekse betaling

De bank stelde dat hier geen sprake was van verrekening maar van rechtstreekse betalingen door de zustervennootschap aan de bank op grond van de hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeiende uit de medeaansprakelijkheidsovereenkomst. Daarvoor was de toestemming van de curator niet nodig.

Rechtbank: bedoeling betaler is leidend

De Rechtbank Amsterdam onderschreef in haar vonnis van 8 juni 2011 de zienswijze van de bank. Met de bank stelde de Rechtbank vast dat een rekening-courantverhouding in de eerste plaats een boekhoudkundige figuur is die niet altijd zonder meer een vordering op een schuld doet ontstaan. In casu was de wil van de betalende vennootschap leidend. De zustervennootschap wilde niet een betaling aan gefailleerde doen, maar wenste rechtstreeks een betaling aan de bank te doen, die in mindering zou strekken op de hoofdelijke schuld van de zustervennootschap aan diezelfde bank. Daarvoor was ook niet de instemming van de curator nodig. Met name op grond van dit argument werd de vordering van de curator afgewezen.

Hoewel de zustervennootschap en de bank hiermee mijns inziens terecht goed zijn weggekomen, maakt het nog eens duidelijk dat partijen bij een compte joint- en medeaansprakelijkheidsovereenkomst voorzichtig moeten zijn met aflossingen op basis van zo’n overeenkomst indien één van de betrokken vennootschappen failleert.