Een recente uitspraak van de Rechtbank Limburg ging over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. De curator meende dat hij vorderingen had op de bestuurders van de failliete vennootschappen vanwege het onttrekken van activa en wanbeleid. De rechtbank wees deze af, omdat de aangesproken bestuurders goed verweer voerden, en de curator daarop geen weerwoord had.
Een hoge drempel als uitgangspunt
Het uitgangspunt in het Nederlandse recht is dat een vennootschap zelfstandig aansprakelijk is voor haar verplichtingen. Bestuurders en aandeelhouders zijn dus niet aansprakelijk voor de verplichtingen en schulden van de vennootschap. Dit is essentieel, want zonder die zekerheid zouden bestuurders in hun ondernemen worden geremd.
Dat een onderneming failliet gaat, betekent dus niet automatisch dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Integendeel: bestuurders zijn in beginsel juist níet aansprakelijk. Een bestuurder mag verkeerde inschattingen maken, risico’s nemen en fouten maken. Niet elke foute inschatting leidt tot een terecht verwijt van onbehoorlijk bestuur.
Van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid, kan slechts worden gesproken als aan de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden. Anders gezegd, als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Aan de bestuurder zou een ernstig verwijt moeten kunnen worden gemaakt van onverantwoordelijk handelen met de wetenschap dat schuldeisers door dat handelen zouden worden benadeeld.
Beoordeling door de rechtbank
In de uitspraak van de Rechtbank Limburg stelde de curator dat de bestuurders onder andere i) onnodige financiële risico’s hebben genomen, ii) een ondeugdelijke administratie hebben gevoerd door op onverantwoorde wijze met geld tussen de (inmiddels gefailleerde) vennootschappen te schuiven, iii) kosten en uitgaven ten laste van de vennootschap hebben gebracht die daarin niet thuishoren terwijl er geen inkomsten waren en iv) gelden hebben onttrokken aan de (inmiddels gefailleerde) vennootschappen voor persoonlijke doeleinden.
De bestuurders hebben de door de curator aangevoerde omstandigheden uitvoerig betwist, waardoor de rechtbank van oordeel was dat de curator onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling. Niet is komen vast te staan dat de bestuurders handelingen hebben verricht die geen weldenkend bestuurder zou hebben gemaakt, noch dat dit heeft geleid tot het faillissement. De curator zou volgens de bestuurders zich (deels) schuldig maken aan ‘hindsight bias’.
Met ‘hindsight bias’ wordt bedoeld dat het handelen van bestuurders achteraf wordt beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden die pas later bekend zijn geworden. Men is dan geneigd om beslissingen uit het verleden te beoordelen met kennis van nu, terwijl deze kennis op het moment van handelen nog niet beschikbaar was.
Betekenis voor de praktijk
Bestuurdersaansprakelijkheid blijft een juridisch zwaar middel dat niet lichtvaardig kan worden ingezet. De uitspraak van de Rechtbank Limburg onderstreept dat een faillissement op zichzelf geen bewijs vormt van onbehoorlijk bestuur, en dat achteraf oordelen met de kennis van nu niet volstaat. Wie een bestuurder persoonlijk aansprakelijk wil houden, zal concreet en overtuigend moeten aantonen dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Advies van GMW advocaten
Onze advocaten, gespecialiseerd in insolventie- en ondernemingsrecht, adviseren bestuurders over hun rechtspositie. Ook staan wij bestuurders bij die door curatoren of schuldeisers worden aangesproken op grond van bijvoorbeeld bestuurdersaansprakelijkheid.
Wenst u duidelijkheid over uw juridische positie als bestuurder of heeft u andere vragen? Neem dan gerust contact met ons op om te bespreken wat de mogelijkheden zijn.