De rechten van het kind bij ontruiming van een woning

9 februari 2026

De rechten van het kind bij ontruiming van een woning

Door Zoë Ris

Op 28 november 2025 heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord over de rol van de rechten van het kind bij een vordering tot ontruiming van een huurwoning. Dit artikel behandelt de aanleiding voor deze vragen, de kernoverwegingen van de Hoge Raad en de gevolgen voor de (rechts)praktijk.

Aanleiding

Aanleiding voor de prejudiciële vragen was een zaak bij de rechtbank Noord-Holland. Woningcorporatie Ymere had een woning verhuurd aan een man en vrouw met twee minderjarige kinderen. Tijdens een doorzoeking van de woning door de politie werden harddrugs en munitie aangetroffen. De burgemeester had de woning daarom op grond van de Opiumwet gesloten. Ymere hanteerde een zerotolerancebeleid voor criminele activiteiten en ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk op basis van artikel 7:231 BW. In een kortgedingprocedure vorderde zij ontruiming.

Artikel 3 IVRK

In de procedure stond de vraag centraal hoe de belangen van de inwonende kinderen meegewogen moesten worden bij de beoordeling van de ontruiming. Er bestond onduidelijkheid over de betekenis van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (‘IVRK’). Dit artikel bepaalt dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen, de belangen van het kind een eerste overweging vormen. De belangen van het kind omvatten onder andere het recht op huisvesting (artikel 27 lid 3 IVRK) en het recht om niet gescheiden te worden van zijn ouders (artikel 9 lid 1 IVRK).

Tussenvonnis

De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat Ymere onvoldoende had aangetoond dat de belangen van de kinderen waren meegewogen in haar besluitvorming over de huurbeëindiging en ontruiming, en of er opvang beschikbaar was voor de kinderen na de ontruiming. Ymere betwistte dit en stelde dat ook bij toepassing van het zerotolerancebeleid rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van minderjarige kinderen.

De voorzieningenrechter overwoog dat rechters in lagere rechtspraak verschillend omgaan met de toepassing van een zerotolerancebeleid in huurgeschillen waarbij ook (jonge) kinderen betrokken zijn. De rechter zag daarom reden om met prejudiciële vragen duidelijkheid te vragen aan de Hoge Raad, over het kader waarbinnen verhuurders hun afwegingen moeten maken.

Prejudiciële vragen

De negen prejudiciële vragen stelden aan de orde of artikel 3 IVRK richtsnoeren biedt voor de beoordeling van ontruimingsvorderingen in geval van inwonende kinderen, hoe actief rechters moeten zijn in hun onderzoek naar betrokken kinderbelangen en de mogelijkheden van alternatieve huisvesting, wat rechters in dit verband van partijen mogen verwachten en op welke wijze zij bij hun beslissing rekening kunnen houden met adequate opvang van kinderen.

Kernoverwegingen Hoge Raad

Ambtshalve toetsing

In zijn uitspraak van 28 november 2025 bevestigde de Hoge Raad dat een vordering tot ontruiming van een woning waar kinderen wonen, een maatregel is in de zin van artikel 3 IVRK. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering dienen daarom de belangen van de kinderen op grond van artikel 3 IVRK voorop te staan. Dit betekent dat rechters zorgvuldig, en zo nodig ambtshalve, moeten afwegen wat de gevolgen van een ontruiming zijn voor de kinderen die in de woning wonen.

Richtsnoeren

Als vaststaat dat de ontruiming ook kinderen raakt, moet de rechter de kinderbelangen meenemen in zijn beoordeling. Deze belangen worden ingevuld door de rechten van het kind, zoals het recht op huisvesting en om niet van diens ouders gescheiden te worden. De rechter dient daarnaast bij de verhuurder nagaan gaan of er mogelijkheden voor alternatieve huisvesting voor het kind zijn. De Hoge Raad overwoog dat in dit kader van een woningcorporatie meer mag worden verlangd dan van een particuliere verhuurder.

De mate van verwijtbaarheid van de huurder(s) van de gedraging die heeft geleid tot de ontruimingsvordering en de belangen van omwonenden spelen eveneens een rol in de beoordeling. De belangen van het kind zijn dus niet allesbepalend, maar leggen wel bijzonder gewicht in de schaal.

Informatievergaring

De Hoge Raad bepaalde verder dat de verhuurder een redelijke inspanning moet hebben gedaan om voornoemde informatie te verkrijgen. Hoewel een rechter niet verplicht is om contact op te nemen met instanties die geen partij zijn bij de procedure, zoals de gemeente of de Raad voor Kinderbescherming, mag van de rechter verwacht worden dat ook hij inspanningen verricht om de vereiste informatie te verkrijgen, bijvoorbeeld door een deskundigenbericht te gelasten.

Voorwaarden ontruiming

Tot slot bepaalde de Hoge Raad dat de rechter maatregelen mag nemen om de gevolgen van de ontruiming voor de kinderen te verzachten. Bijvoorbeeld door een langere ontruimingstermijn te hanteren of de beslissing aan te houden totdat partijen gelegenheid hebben gehad om een alternatieve woning te vinden. Hoewel het in de regel niet de verantwoordelijkheid is van de verhuurder, kan de rechter in een bijzonder geval ook de voorwaarde verbinden aan de ontruimingstitel dat er adequate opvang voor de kinderen wordt geregeld.

Gevolgen voor de praktijk

Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechten van het kind een cruciale(re) rol (gaan) spelen bij ontruimingsvorderingen. Verhuurders, en met name woningcorporaties, doen er daarom verstandig aan om voordat zij de procedure starten na te gaan of er kinderbelangen betrokken zijn en of er alternatieve huisvesting mogelijk is, en deze informatie vervolgens in de dagvaarding op te nemen.

Contact & advies

Wilt u meer weten over de ontruiming van een huurwoning? Neem dan contact met ons op.

 

Veelgestelde vragen over de rechten van het kind bij de ontruiming van een woning

Wat zijn de rechten van het kind in het huurrecht?

De rechten van het kind omvatten onder andere het recht op huisvesting (artikel 27 lid 3 IVRK) en het recht om niet gescheiden te worden van zijn of haar ouders (artikel 9 lid 1 IVRK).

Wat kan ik doen om mijn belangen als verhuurder te waarborgen?

·       Zorg dat in aanloop naar en tijdens de procedure voldoende aandacht wordt besteed aan de gevolgen van de ontruiming voor de kinderen. De aanwezigheid van minderjarige kinderen maakt niet dat er geen ontruiming mogelijk is. Wel dient hier, met name door woningcorporaties, aandacht aan te worden besteed.

Hoe beïnvloeden kinderrechten een ontruimingsprocedure?

Rechters zijn verplicht om de belangen van kinderen als een eerste overweging te nemen bij beslissingen over ontruimingen (artikel 3 IVRK), door na te gaan in hoeverre dit de rechten van het kind raakt en of er alternatieve opvang beschikbaar is.

Gerelateerde blogs

Vorige slide
Volgende slide

14 oktober 2026

De ontruiming van een woning

Wanneer een huurovereenkomst van een woning eindigt, dan moet de huurder de woning ontruimen. Hij heeft dan geen recht meer om in de woning te blijven.

Lees meer

Lees meer over

29 september 2026

Contractuele medehuur: wat houdt het in en welke gevolgen heeft het?

Wanneer twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst aangaan, is sprake van contractuele medehuur. Beide medehuurders staan dan op het contract en zijn ieder partij bij de huurovereenkomst. In dit artikel ga ik nader in op contractuele medehuur en wat dit betekent voor de huurders en verhuurder.

Lees meer

Lees meer over

26 september 2026

Contractuele medehuur en de scheidingsregel: een vervolg

In een eerder artikel schreef ik reeds over de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021, waarin werd geoordeeld dat contractuele medehuurders een beroep kunnen doen op de scheidingsregel van artikel 7:267 lid 7 BW.

Lees meer

Lees meer over

1 september 2026

Wet Modernisering Servicekosten per 1 januari 2027: wat betekent dit voor u?

Per 1 januari 2027 treedt de Wet Modernisering Servicekosten in werking. Deze wet is relevant voor iedereen die te maken heeft met servicekosten in huurrelaties, zoals verhuurders, huurders, beheerders en adviseurs.

Lees meer

Lees meer over

18 augustus 2026

Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik

Voor een succesvol beroep op de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik (art. 7:296 lid 1 sub b BW) moet de verhuurder voldoende aannemelijk maken dat hij de wil heeft tot het dringend persoonlijk en duurzaam in gebruik nemen van het gehuurde.

Lees meer

Lees meer over
Alle artikelen