Faillissement VOF niet direct faillissement vennoten

De vennootschap onder firma, ook wel VOF genoemd, is een ondernemingsvorm waarbij twee of meer personen (firmanten) een samenwerkingsverband aangaan om onder gemeenschappelijke naam een bedrijf uit te oefenen. De VOF heeft een vermogen, dat is afgescheiden van de vermogens van de vennoten. Op grond van de wet zijn alle vennoten van een VOF hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de VOF. Dit betekent dat crediteuren van de VOF hun vorderingen zowel op het afgescheiden vermogen van de VOF als op de privévermogens van de vennoten kunnen verhalen. Gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten werd tot op heden in de rechtspraak aangenomen dat het faillissement van de VOF automatisch met zich mee bracht dat de vennoten ook in staat van faillissement worden verklaard. In een recent arrest van 6 februari jl. is de Hoge Raad echter op deze regel teruggekomen.

Voldoende privévermogen vennoot

De Hoge Raad heeft in zijn arrest beslist dat een faillissement van een VOF niet meer automatisch het faillissement van de afzonderlijke vennoten tot gevolg heeft. De Hoge Raad draagt hiervoor de volgende argumenten aan. Allereerst kan uit het artikel in de Faillissementswet dat bepaalt dat de aangifte tot faillietverklaring van een VOF ook de naam en woonplaats van de vennoten inhoudt, niet worden afgeleid dat het faillissement van de VOF steeds het faillissement van de vennoten meebrengt. Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat een vennoot, in tegenstelling tot de VOF zelf, voldoende privévermogen kan hebben om zowel de crediteuren van de VOF als zijn privécrediteuren te voldoen. Een vennoot verkeert dan niet in een faillissementstoestand, waarin hij of zij is opgehouden met betalen.

Afzonderlijke vorderingen

De Hoge Raad acht tevens van belang dat vanwege het afgescheiden vermogen van de VOF de vorderingen op de VOF en de vennoten als afzonderlijke (samenlopende) vorderingen moeten worden beschouwd, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald. Zo kan het voorkomen dat een vennoot een aan hem in privé toekomend verweermiddel (bijvoorbeeld een verrekeningsverweer m.b.t. een tegenvordering) kan aanvoeren tegen de aanvrager van het faillissement. Ook de invoering van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen heeft volgens de Hoge Raad tot gevolg dat de regel dat de vennoten ook direct failliet gaan niet langer op zijn plaats is. De toegang tot de schuldsaneringsregeling staat immers ook open voor natuurlijke personen met zakelijke schulden, wat tot gevolg heeft dat vennoten (natuurlijke personen) die een wsnp-verzoek hebben ingediend, niet zonder meer failliet verklaard dienen te worden indien het faillissement van de VOF wordt uitgesproken.

Artikel 6 EVRM

Tot slot merkt de Hoge Raad op dat de oude regel in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Ieder persoon heeft recht op een eerlijk proces, waardoor het volgens de Hoge Raad niet zo kan zijn dat een vennoot in privé failliet wordt verklaard, zonder dat dit ook ten aanzien van deze vennoot afzonderlijk is verzocht en zonder dat is onderzocht of hij ook privé verkeert in de toestand te zijn opgehouden te betalen.

Conclusie

Het arrest van de Hoge Raad brengt een belangrijke verandering voor de insolventiepraktijk teweeg. Een faillissement van een VOF betekent immers niet meer per definitie een faillissement van de vennoten. In het geval een schuldeiser naast het faillissement van de VOF ook de vennoten failliet wil laten verklaren, zal zij dit in haar faillissementsrekest expliciet moeten verzoeken. De rechtbank zal op haar beurt ten aanzien van ieder van de vennoten afzonderlijk moeten onderzoeken of zij in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen.