Onverschuldigde betaling in faillissement
Onverschuldigde betaling in faillissement

Onverschuldigde betaling in faillissement

De van vorderingen op een failliete onderneming of persoon, is duidelijk. De kosten van afwikkeling van het faillissement, zeg maar de schulden die zijn ontstaan ná de datum van faillietverklaring, moeten worden betaald vóór de prae-faillissementsschulden. Dit worden boedelschulden genoemd. Van de schulden die voor de faillietverklaring al ontstonden, geldt dat vorderingen met een preferentie, zoals Belastingdienst, werknemers, UWV, enz., moeten worden betaald voor de reguliere schulden. Deze rangorde is belangrijk, omdat in nagenoeg alle faillissementen onvoldoende geld aanwezig is om iedereen te betalen.

De status van uw vordering is belangrijk

Het is dus belangrijk om een zo hoog mogelijke rang te hebben. Zo is er veel geprocedeerd over de vraag of kosten voor de oplevering van een door de gefailleerde onderneming gehuurd pand, boedelkosten zijn of niet. Tot voor kort gold de regel van het arrest Circle Plastics uit 2004, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de ontruiming het gevolg was van de opzegging van de huurovereenkomst door de curator, zodat die kosten voor oplevering als boedelschuld golden. Vorig jaar besliste de Hoge Raad echter anders in het arrest Koot Beheer: de opleveringsverplichting bij het einde van de huur vloeit voort uit de huurovereenkomst die dateert van voor de faillietverklaring, en is dus geen boedelschuld. Het gevolg hiervan is dat deze vordering van de verhuurder veel vaker niet betaald wordt. Er zijn ook faillissementen waarin het beschikbare geld onvoldoende is om alle boedelschulden te betalen. Het faillissement wordt dan opgeheven bij gebrek aan baten. Ook de boedelschulden onderling hebben in dat geval een rangorde. Als eerst moet worden betaald het salaris van de curator – logisch, want anders zou niemand bereid zijn het werk van curator te doen. Zelf meen ik echter dat de curator nog eerder alle kosten moeten betalen van bedrijven of personen die hij heeft ingeschakeld, zoals taxateurs, accountants, enz. Daarna komt UWV voor de regresvordering van de salarissen over de periode van na faillietverklaring, vervolgens ‘gewone’ boedelschulden. Denk aan huur over de faillissementsperiode, maar ook wettelijke verplichtingen zoals aansprakelijkheden of onverschuldigde betalingen.

Superpreferentie

Er is nog een buitencategorie van boedelvordering, ook wel genaamd superpreferente boedelvordering, of Ontvanger/Hamm-vordering. In een uitspraak uit 1997 oordeelde de Hoge Raad dat ingeval iemand zonder rechtsgrond en door een onmiskenbare vergissing een bedrag betaalt aan de failliete boedel, de curator moet meewerken een onmiddellijke ongedaanmaking van die onverschuldigde betaling. De curator moet dan het ten onrechte betaalde bedrag dus direct terugbetalen. Paul Visser schreef over deze problematiek eerder een weblog. Maar, niet elke onverschuldigde betaling gedaan na de datum van faillietverklaring heeft deze superpreferente status. Uit de rechtspraak volgt dat er sprake moet zijn van een “onmiskenbare vergissing” van de betaler, en er geen enkele rechtsverhouding heeft bestaan die aanleiding kon geven te vermoeden dat er wel een grond voor betaling aanwezig was.”

Betaling in strijd met de wet is niet superpreferent

Op 18 oktober van dit jaar bepaalde de Hoge Raad dat een betaling die in strijd met de wet is gedaan, en dus onverschuldigd, niet de superpreferente is. In dit geval betrof het een Zorgkantoor, die Persoonsgebonden Budgetten (PGB) uitbetaalde aan particulieren. De failliet, een instelling voor thuisbegeleiding en uit dien hoofde PGB-bemiddelaar, ontving lange tijd voor haar PGB-cliënten deze vergoeding van het Zorgkantoor. Medio 2009 is de wettelijke regel gewijzigd, op grond waarvan het Zorgkantoor de PGB’s alleen nog rechtstreeks aan de PGB-houders mocht uitbetalen. Desondanks betaalde het Zorgkantoor daarna nog voorschotten aan het de failliet, ook na de faillietverklaring in december 2009. Het zorgkantoor heeft dus onverschuldigd betaald. Het ging om ruim € 170.000,-. De Hoge Raad geeft echter aan dat het voor alle partijen duidelijk is dat deze betalingen onverschuldigd zijn gedaan. Van de voor de status van superpreferentie vereiste “onmiskenbare vergissing”, is echter geen sprake. De betalingen vloeiden immers voort uit een eerder bestaande rechtsverhouding tussen het Zorgkantoor en de failliet, die de curator aanleiding konden geven te veronderstellen dat er mogelijk wel een rechtsgrond bestond voor de ontvangen betalingen. Daarmee is het een reguliere boedelvordering, die pas betaald kan worden nadat de hoger gerangschikte boedelschulden zijn voldaan. Mogelijk ontvangt het zorgkantoor dus niets terug.