Verjaring en stuiting

Wie een schuld heeft, moet die betalen. Maar wie een vordering heeft, moet die opeisen. Doe je dat niet, dan verjaart het recht om de vordering op te eisen na vijf jaar. Wie langer dan vijf jaar heeft gewacht, kan de schuldeiser niet meer tot betaling dwingen. De rechter zal een vordering tot betaling dan afwijzen. De gedachte er achter is rechtszekerheid: de schuldenaar dient op een gegeven moment er van uit te kunnen gaan dat een schuldeiser die zo lang heeft stilgezeten, niet meer achter hem aan zal komen.

Stuiten

De verjaring van een vordering kan worden ‘gestuit’. Daartoe is volgens de wet vereist dat de schuldeiser aan de schuldenaar een schriftelijk aanmaning stuurt, of een ‘schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij zich het recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt.’ Dit lijkt duidelijk maar het gaat toch nog wel eens mis.

I would welcome a chat

Een investeringsmaatschappij en de New Yorkse vestigingen van een Nederlandse bank hadden onderling een geschil over het niet geringe bedrag van $ 24.000.000,-. Namens de schuldeiser zond een Amerikaanse advocaat een briefje aan de advocaat van de bank, waarin hij onder meer schreef: It would appear that ABN Amro may be liable for the regrettable ‘disappearance’ of $ 24,000,000 (…), en: you’re able to gather some facts which may shed some light on these issues, I would welcome a visit to New York and a chat. I would also think it appropriate to put ABN Amro carriers on notice of these potential claims  Typische proza van een Amerikaanse advocaat, natuurlijk. In Nederland zijn we vaak directer en duidelijker, zeker bij GMW advocaten. De chat tussen beide advocaten leverde kennelijk geen resultaat op. Het kwam toch tot een procedure tussen de investeerder en de bank. De bank voerde als verweer aan dat de vordering was verjaard. Of dit verweer juist was, hing af van de vraag of het geciteerde briefje van de Amerikaanse advocaat al dan niet een stuiting in de zin van de Nederlandse wet was.

Wat zegt de rechter ervan

Zowel de rechtbank als het Gerechtshof in hoger beroep, oordeelden dat dit briefje geen ‘ondubbelzinnig voorbehoud tot betaling’ inhield, waardoor het vorderingsrecht van de investeerder inderdaad verjaard was. Volgens het Hof was dit briefje niet een ‘voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening ermee moest houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan alsnog ingestelde rechtsvordering naar behoren kan verweren.’ De inzet van de brief was volgens het Hof veel meer ‘het verkrijgen van informatie in een bespreking tussen advocaten.’ De intentie van stuiting werd volgens het Hof bovendien afhankelijk gesteld van de uitkomst van die bespreking. In cassatie oordeelde de Hoge Raad op 18 september jl. dat dit Rechtbank en Hof het niet juist hadden. Bij de vraag of stuitingsbrief voldoet aan de daar aangestelde wettelijke vereisten, moet volgens de Hoge Raad immers niet alleen worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling kan bovendien ook betekenis worden toegekend aan verdere correspondentie tussen partijen.

Ons advies

Zo kwam de investeringsmaatschappij dus met de schrik onder het verjaringsverweer uit. Wees daarom altijd duidelijk bij het sturen van een stuitingsbrief, of bij elke brief waarin u een schuldenaar wijst op zijn betalingsverplichtingen. Een luchtig prozaïsch briefje kan wellicht vriendelijk overkomen, maar als het er op aan komt moet het voor de rechter wel duidelijk zijn wat je bedoelde. Hier liep het nog maar net goed af, maar dit risico wil je gewoon niet lopen. Een paar dagen na de uitspraak van de Hoge Raad wees het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dit arrest, waarin het oordeelde dat het doen van strafrechtelijke aangifte niet als civielrechtelijke stuiting kan gelden. Let dus op, en zorg voor een duidelijke en tijdige stuiting van uw vorderingen.

PS

In zijn bloemrijke stuitingsbrief van de Amerikaanse advocaat uit hiervoor de besproken casus stond nog de volgende bijzin: I’ve been trying cases involving commercial disputes for over thirty years and I have become convinced that litigation is the least efficient and most uncivilized method of dispute resolution known to man. Daarmee ben ik het zeer oneens. Procederen kan inefficiënt zijn – zeker met zulke onduidelijke stuitingsbrieven – maar onbeschaafd is het zeker niet. Integendeel: het voorleggen van het geschil aan een onpartijdige en onafhankelijke rechter, is de meest beschaafde manier van geschilbeslechting die ik ken. Althans, tenminste in Nederland. In New York zou dat zo maar anders kunnen zijn.