Wijziging via de pensioenfondsroute

Bij ieder wijzigingstraject van pensioen zijn twee vragen van belang. Wie mag het pensioen wijzigen, en wanneer is de wijziging toegestaan? Op 8 november 2013 liet de Hoge Raad in het Delta Lloyd-arrest de wijziging via de zogenaamde pensioenfondsroute in stand. Hierbij is het niet de werkgever die de pensioenovereenkomst van de werknemer wijzigt, maar het pensioenfonds. In dat geval geldt een iets minder strenge toets dan bij een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst door de werkgever.

Naar voorwaardelijke indexatie

In dit Delta Lloyd-arrest mocht het pensioenfonds de onvoorwaardelijke indexatie uit het pensioenreglement wijzigen in voorwaardelijke indexatie zonder de zwaarwichtig belangtoets toe te passen. Terwijl als een werkgever de pensioenovereenkomst eenzijdig wil wijzigen, hij een zodanig zwaarwichtig belang moet hebben dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken (artikel 7:613 BW en artikel 19 Pensioenwet). Hoewel de zaak speelde vóór de huidige Pensioenwet, is het toch een belangrijk arrest.

Veel wijzigingen in pensioenovereenkomst

De komende jaren volgen naar verwachting vele wijzigingen. De meest actuele pensioenwijziging is de verhoging van de pensioenrichtleeftijd van 65 jaar naar 67 jaar en de verlaging van de fiscale maximumopbouw per jaar die ingaat op 1 januari 2014.  Bij de pensioenfondsroute is het niet de werkgever die de pensioenovereenkomst wijzigt maar het pensioenfonds. In dat geval is geen zwaarwichtig belangtoets vereist, zo had het Hof Amsterdam op 12 juni 2012 geoordeeld en dat oordeel laat de Hoge Raad nu dus in stand. Cruciaal is dat niet de werkgever wijzigt maar het pensioenfonds. Daarom is noch artikel 19 Pensioenwet noch artikel 7:613 van toepassing. Beide wettelijke voorschriften gaan er van uit dat de werkgever de pensioenovereenkomst eenzijdig wijzigt.

Wijzigingsbevoegdheid pensioenfonds

De wijzigingsbevoegdheid van het pensioenfonds moet wel duidelijk zijn overeengekomen in statuten en reglementen. De gedachte is dat de arbeidsovereenkomst verwijst naar het pensioenreglement. In het pensioenreglement staat dan dat het pensioenfondsbestuur bevoegd is om het pensioenreglement te wijzigen. Het pensioenreglement kan ook de statuten van toepassing verklaren waarin die bevoegdheid is opgenomen. Kortom: de wijzigingsbevoegdheid is dan via de arbeidsovereenkomst en/of het pensioenreglement doorgecontracteerd aan het pensioenfondsbestuur. Zowel de werkgever als de werknemer hebben zich van tevoren akkoord verklaard met een toekomstige wijziging van het pensioenreglement door het pensioenfonds. Vanzelfsprekend mag het pensioenfondsbestuur geen misbruik maken van haar (statutaire) bevoegdheid om het pensioenreglement te wijzigen. Vanuit de werknemer bezien is dat een lichtere rechtsbescherming dan de eis dat een werkgever een zodanig zwaarwichtig belang moet hebben dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Bedrijfstakpensioenfondsen en verzekerde pensioenregelingen

Overigens lopen de wijzigingstrajecten bij verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen en verzekerde pensioenregelingen op een andere manier. Bij verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen zijn werkgevers en deelnemers op grond van artikel 4 Wet Bpf 2000 gebonden aan statuten en reglementen (de bedrijfstakpensioenfondsroute). Bij wijzigingen van verzekerde regelingen is het wettelijk instemmingsrecht van de OR (artikel 27 lid 1 WOR) en de reikwijdte daarvan (wel t.a.v. pensioenovereenkomst én niet de uitvoeringsovereenkomst) een aandachtspunt, zowel voor de medezeggenschapseisen als voor de wijziging van individuele arbeidsovereenkomsten. Zie over dit laatste punt mijn weblog ‘Instemmingsrecht OR bij pensioen‘.