Tijdelijke verhuur van woonruimte

7 augustus 2024

Woningruil en het vereiste van een zwaarwichtig belang

Door Glenn Kerver

Vanwege de huidige krapte op de woningmarkt wordt er door huurders met toenemende mate een verzoek tot woningruil gedaan.

Wanneer verhuurders niet vrijwillig instemmen met een dergelijk verzoek, kan de huurder op grond van artikel 7:270 BW vorderen dat een rechter toestemming geeft om de andere huurder in zijn plaats te stellen.

In een lezenswaardig overzicht in het tijdschrift Huurrecht in Praktijk concludeert mr. M. van den Oord terecht dat de belangenafweging in verreweg de meeste (gepubliceerde) gevallen in het voordeel van de huurder uitvalt.[1] Recente rechtspraak van de Rechtbank Den Haag leert echter dat een verhuurder zich wel degelijk met succes kan verweren.

Woningruil

Waar huurders een woningruil zien als geschikt middel om zonder lange wachtlijsten te kunnen beschikken over een beter passende woning, voelen verhuurders zich dikwijls geconfronteerd met een nieuwe contractspartij waar zij niet om gevraagd hebben. Bovendien ziet de verhuurder mogelijk ook de toekomstplannen voor de verhuurde woning (zoals verkoop of renovatie) in het water vallen.

Krachtens artikel 7:270 lid 2 BW kan een vordering tot woningruil slechts worden toegewezen indien de huurder een zwaarwichtig belang bij de ruil heeft. Pas als de belangen van de huurder bij de beoogde woningruil zwaarder wegen dan het belang van de verhuurder bij de afwijzing van de vordering tot woningruil, is plaats voor toewijzing van de vordering. De voorgestelde huurder moet in voldoende waarborg bieden voor nakoming van de huurovereenkomst en meer in het bijzonder de betalingsverplichtingen.

Wanneer er op grond van de Huisvestingswet 2014 een huisvestingsvergunning is vereist voor bewoning van de huurwoning in kwestie, zal de voorgestelde huurder tevens over een (pro forma) huisvestigingsvergunning moeten beschikken.

Zwaarwichtig belang?

Een zwaarwichtig belang wordt vaak gevonden in een (gewijzigde) gezinssituatie of een medische toestand. In een recente procedure hebben wij namens cliënte uiteengezet dat artikel 7:270 lid 2 BW indruist tegen de contractsvrijheid en het eigendomsrecht, en dat het vereiste van een zwaarwichtig belang om die reden niet te eenvoudig mag worden aangenomen.

Jurisprudentie

Uit de jurisprudentie volgt echter dat niet iedere rechter hier strenge eisen aan stelt. Zo oordeelde het Hof Den Bosch in 2006 dat een huurder die meende gezondheidsklachten te ervaren door de aanwezigheid van een antenne en een huurder met heimwee beiden een zwaarwichtig belang hadden.[2] Een dame op leeftijd had volgens de Rechtbank Amsterdam een zwaarwichtig belang, omdat de beoogde woning in Egmond aan den Hoef vanwege de zeelucht en beperkte verkeersdrukte beter zou zijn voor haar gezondheid en gemoedstoestand, dan de benedenwoning in Amsterdam die zij reeds twintig jaar bewoonde.[3]

Het is mijns inziens de vraag of in voornoemde zaken voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen een (alleszins begrijpelijk) belang en een zwaarwichtig belang. Temeer nu de ervaring leert dat zodra een zwaarwichtig belang aan de zijde van de huurder wordt aangenomen, de belangen van de verhuurder in de regel altijd minder zwaar gewogen worden.

Procedure Rechtbank Den Haag

In de procedure bij de Rechtbank Den Haag werd de vordering tot woningruil in kort geding afgewezen.[4] De huurders betoogden dat zij vanwege de geboorte van een tweede kindje grotere woonruimte nodig hadden dan de huidige huurwoning met twee slaapkamers, terwijl de voorgestelde huurder vanwege een gewijzigde gezinssituatie en haar hernia juist een kleinere woning zonder trap zocht. Door een aflopende alimentatieverplichting zou zij de huurprijs van haar huidige woning minder eenvoudig kunnen voldoen. De voorzieningenrechter oordeelde dat in beide gevallen het vereiste spoedeisend belang ontbrak, nu er geen sprake was van een nieuwe of aanzienlijk gewijzigde situatie.

In de daaropvolgende bodemprocedure oordeelde de bodemrechter dat het zwaarwichtig belang eveneens ontbrak. In de eerste plaats omdat de medische toestand van de voorgestelde huurder al jaren ongewijzigd was. Zij had bij de keuze voor haar huidige woning al een hernia en wist bovendien dat de alimentatieverplichting tijdelijk was. In de tweede plaats omdat het goed voor te stellen is dat de huurders er de voorkeur aan geven om hun twee kinderen op aparte slaapkamers te laten slapen, maar dat dit op zichzelf nog geen zwaarwichtig belang oplevert.

Conclusie

De uitspraken van de Rechtbank Den Haag bieden een tegengeluid voor de stroom van gepubliceerde vonnissen waarin het vereiste van een zwaarwichtig belang soms (te) eenvoudig wordt aangenomen. Juist nu de belangen van de verhuurder in de regel altijd minder zwaar worden gewogen, is het van belang om een inperking van de contractsvrijheid en het eigendomsrecht enkel onder bijzondere omstandigheden toe te staan.

Meer informatie

Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog of de uitspraken in kwestie? Neem vrijblijvend contact met mij op, ik help u graag verder.

 

[1] M. van den Oord, ‘Woningruil in beeld Een analyse van (vooral) recente rechtspraak’, HIP 2024/29, p. 18 t/m 22.
[2] Hof Den Bosch 29 augustus 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0252, r.o. 4.4.2
[3] Rb. Amsterdam 21 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4712, r.o. 8.
[4] Rb. Den Haag 19 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:658, r.o. 4.5.

Glenn Kerver

Advocaat/partner

Gerelateerde blogs

Vorige slide
Volgende slide

29 september 2026

Contractuele medehuur: wat houdt het in en welke gevolgen heeft het?

Wanneer twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst aangaan, is sprake van contractuele medehuur. Beide medehuurders staan dan op het contract en zijn ieder partij bij de huurovereenkomst. In dit artikel ga ik nader in op contractuele medehuur en wat dit betekent voor de huurders en verhuurder.

Lees meer

Lees meer over

26 september 2026

Contractuele medehuur en de scheidingsregel: een vervolg

In een eerder artikel schreef ik reeds over de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021, waarin werd geoordeeld dat contractuele medehuurders een beroep kunnen doen op de scheidingsregel van artikel 7:267 lid 7 BW.

Lees meer

Lees meer over

1 september 2026

Wet Modernisering Servicekosten per 1 januari 2027: wat betekent dit voor u?

Per 1 januari 2027 treedt de Wet Modernisering Servicekosten in werking. Deze wet is relevant voor iedereen die te maken heeft met servicekosten in huurrelaties, zoals verhuurders, huurders, beheerders en adviseurs.

Lees meer

Lees meer over

18 augustus 2026

Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik

Voor een succesvol beroep op de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik (art. 7:296 lid 1 sub b BW) moet de verhuurder voldoende aannemelijk maken dat hij de wil heeft tot het dringend persoonlijk en duurzaam in gebruik nemen van het gehuurde.

Lees meer

Lees meer over

20 juli 2026

Een mondelinge huurovereenkomst; mag dat?

Als een verhuurder en huurder overeenstemming bereiken over de huur van een pand, dan wordt daarna doorgaans een schriftelijke huurovereenkomst opgesteld. Daarmee is voor de verhuurder en voor de huurder in de toekomst duidelijk welke afspraken tussen hen gelden.

Lees meer

Lees meer over
Alle artikelen