Aanleiding
Aanleiding voor de prejudiciële vragen was een zaak bij de rechtbank Noord-Holland. Woningcorporatie Ymere had een woning verhuurd aan een man en vrouw met twee minderjarige kinderen. Tijdens een doorzoeking van de woning door de politie werden harddrugs en munitie aangetroffen. De burgemeester had de woning daarom op grond van de Opiumwet gesloten. Ymere hanteerde een zerotolerancebeleid voor criminele activiteiten en ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk op basis van artikel 7:231 BW. In een kortgedingprocedure vorderde zij ontruiming.
Artikel 3 IVRK
In de procedure stond de vraag centraal hoe de belangen van de inwonende kinderen meegewogen moesten worden bij de beoordeling van de ontruiming. Er bestond onduidelijkheid over de betekenis van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (‘IVRK’). Dit artikel bepaalt dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen, de belangen van het kind een eerste overweging vormen. De belangen van het kind omvatten onder andere het recht op huisvesting (artikel 27 lid 3 IVRK) en het recht om niet gescheiden te worden van zijn ouders (artikel 9 lid 1 IVRK).
Tussenvonnis
De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat Ymere onvoldoende had aangetoond dat de belangen van de kinderen waren meegewogen in haar besluitvorming over de huurbeëindiging en ontruiming, en of er opvang beschikbaar was voor de kinderen na de ontruiming. Ymere betwistte dit en stelde dat ook bij toepassing van het zerotolerancebeleid rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van minderjarige kinderen.
De voorzieningenrechter overwoog dat rechters in lagere rechtspraak verschillend omgaan met de toepassing van een zerotolerancebeleid in huurgeschillen waarbij ook (jonge) kinderen betrokken zijn. De rechter zag daarom reden om met prejudiciële vragen duidelijkheid te vragen aan de Hoge Raad, over het kader waarbinnen verhuurders hun afwegingen moeten maken.
Prejudiciële vragen
De negen prejudiciële vragen stelden aan de orde of artikel 3 IVRK richtsnoeren biedt voor de beoordeling van ontruimingsvorderingen in geval van inwonende kinderen, hoe actief rechters moeten zijn in hun onderzoek naar betrokken kinderbelangen en de mogelijkheden van alternatieve huisvesting, wat rechters in dit verband van partijen mogen verwachten en op welke wijze zij bij hun beslissing rekening kunnen houden met adequate opvang van kinderen.
Kernoverwegingen Hoge Raad
Ambtshalve toetsing
In zijn uitspraak van 28 november 2025 bevestigde de Hoge Raad dat een vordering tot ontruiming van een woning waar kinderen wonen, een maatregel is in de zin van artikel 3 IVRK. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering dienen daarom de belangen van de kinderen op grond van artikel 3 IVRK voorop te staan. Dit betekent dat rechters zorgvuldig, en zo nodig ambtshalve, moeten afwegen wat de gevolgen van een ontruiming zijn voor de kinderen die in de woning wonen.
Richtsnoeren
Als vaststaat dat de ontruiming ook kinderen raakt, moet de rechter de kinderbelangen meenemen in zijn beoordeling. Deze belangen worden ingevuld door de rechten van het kind, zoals het recht op huisvesting en om niet van diens ouders gescheiden te worden. De rechter dient daarnaast bij de verhuurder nagaan gaan of er mogelijkheden voor alternatieve huisvesting voor het kind zijn. De Hoge Raad overwoog dat in dit kader van een woningcorporatie meer mag worden verlangd dan van een particuliere verhuurder.
De mate van verwijtbaarheid van de huurder(s) van de gedraging die heeft geleid tot de ontruimingsvordering en de belangen van omwonenden spelen eveneens een rol in de beoordeling. De belangen van het kind zijn dus niet allesbepalend, maar leggen wel bijzonder gewicht in de schaal.
Informatievergaring
De Hoge Raad bepaalde verder dat de verhuurder een redelijke inspanning moet hebben gedaan om voornoemde informatie te verkrijgen. Hoewel een rechter niet verplicht is om contact op te nemen met instanties die geen partij zijn bij de procedure, zoals de gemeente of de Raad voor Kinderbescherming, mag van de rechter verwacht worden dat ook hij inspanningen verricht om de vereiste informatie te verkrijgen, bijvoorbeeld door een deskundigenbericht te gelasten.
Voorwaarden ontruiming
Tot slot bepaalde de Hoge Raad dat de rechter maatregelen mag nemen om de gevolgen van de ontruiming voor de kinderen te verzachten. Bijvoorbeeld door een langere ontruimingstermijn te hanteren of de beslissing aan te houden totdat partijen gelegenheid hebben gehad om een alternatieve woning te vinden. Hoewel het in de regel niet de verantwoordelijkheid is van de verhuurder, kan de rechter in een bijzonder geval ook de voorwaarde verbinden aan de ontruimingstitel dat er adequate opvang voor de kinderen wordt geregeld.
Gevolgen voor de praktijk
Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechten van het kind een cruciale(re) rol (gaan) spelen bij ontruimingsvorderingen. Verhuurders, en met name woningcorporaties, doen er daarom verstandig aan om voordat zij de procedure starten na te gaan of er kinderbelangen betrokken zijn en of er alternatieve huisvesting mogelijk is, en deze informatie vervolgens in de dagvaarding op te nemen.
Contact & advies
Wilt u meer weten over de ontruiming van een huurwoning? Neem dan contact met ons op.