Hoge Raad: opslag van 3% bij huurprijswijziging niet oneerlijk

17 december 2024

Hoge Raad: huurprijswijzigingsbeding met indexatie plus opslag 3% niet oneerlijk

Door Zoë Ris

Op 29 november 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat huurprijswijzigingsbedingen met een indexatie- en opslagbeding in beginsel niet oneerlijk zijn. In dit artikel leest u hoe en waarom de Hoge Raad tot die conclusie komt.

Achtergrond

Eerder schreven wij over Huurprijswijzigingsbedingen in geliberaliseerde huurovereenkomsten, die op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen onder omstandigheden buiten toepassing moeten blijven. Het gaat om bedingen op grond waarvan de huurprijs jaarlijks wordt verhoogd op basis van de consumentenprijsindex (indexatie) en vervolgens wordt vermeerderd met een extra percentage van maximaal 3% (opslag).

In lagere rechtspraak werden dergelijke bedingen vaak vernietigd, omdat deze het evenwicht tussen de rechten en plichten van de huurder en verhuurder ten nadele van de huurder aanzienlijk zouden verstoren. Het beding is dan ‘oneerlijk’ in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, en dient buiten beschouwing te worden gelaten.

Vanwege de verregaande juridische en maatschappelijke gevolgen daarvan, zijn er prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.[1] De belangrijkste vragen zijn, in het kort:

  • Is een huurprijswijzigingsbeding met een indexatie- en opslagcomponent één beding, of moet het als twee, apart van elkaar te toetsen bedingen worden gezien?
  •  Is een opslagbeding van maximaal 3% bovenop de inflatie oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen?
  • Als het opslagbeding oneerlijk is en dus buiten toepassing moet worden verklaard, wat zijn dan de gevolgen daarvan?

Uitspraak Hoge Raad

Splitsing indexatie en opslag

Op 29 november 2024 heeft de Hoge Raad deze vragen beantwoord.[2] Allereerst heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de indexatie- en het opslagcomponenten afzonderlijk van elkaar moeten worden beoordeeld, omdat deze verschillende doelen nastreven. Het indexatiebeding is bedoeld om de inflatie te compenseren, om zo geldontwaarding te voorkomen. Een opslagbeding is bedoeld om verdere kostenstijgingen aan de zijde van de verhuurder te compenseren, zodat de huurprijs in de pas loopt met de waardeontwikkeling van de woning. Het zijn twee aparte bedingen die los van elkaar getoetst moeten worden op oneerlijkheid, ook als zij in hetzelfde huurprijswijzigingsbeding zijn opgenomen.

Opslag van 3% niet oneerlijk

De Hoge Raad heeft daarnaast geoordeeld dat een opslag van 3%, bovenop de indexatie in beginsel niet oneerlijk is. Hij overweegt dat een huurovereenkomst vaak voor lange duur wordt gesloten, en door de verhuurder niet eenvoudig kan worden beëindigd. De verhuurder heeft er daarom een gerechtvaardigd belang bij om de huurprijs jaarlijks te kunnen aanpassen vanwege kostenstijgingen en waardeveranderingen die niet worden gecompenseerd door de indexatie. Een opslagbeding biedt hiervoor uitkomst.

De Hoge Raad overwoog dat financiële gevolgen van een opslag van maximaal 3% voor een huurder voldoende voorzienbaar zijn, omdat de frequentie, berekening en maximale verhoging van de huurprijswijziging vaststaan. Het evenwicht tussen de rechten en plichten van partijen wordt hierdoor niet aanzienlijk verstoord. Daarnaast geldt dat als de huurder de overeengekomen opslag (toch) niet acceptabel vindt, het hem of haar vrij staat om de huurovereenkomst op te zeggen. Het is dan wel van belang dat de verhuurder de huurder tijdig op de hoogte stelt van de voorgenomen verhoging, zodat de huurder de kans heeft om de huurovereenkomst op tijd (voor de ingang van de huurverhoging) op te zeggen.

Gevolgen oneerlijkheid

Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als een (opslag)beding als oneerlijk wordt aangemerkt, dit betekent dat het beding vernietigbaar is. Een opslagbeding kan bijvoorbeeld oneerlijk zijn als niet een opslag van 3%, maar 8%, 10% of meer is bedongen. Als het beding als oneerlijk wordt aangemerkt, dan moet het buiten toepassing blijven. Het beding wordt dan geacht nooit te hebben bestaan. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben: eerder doorgevoerde verhogingen moeten worden teruggedraaid en toekomstige verhogingen op grond van het (vernietigde) beding zijn niet meer mogelijk.

Het kan dan zijn dat een verhuurder die een procedure start in verband met een huurachterstand, na toetsing van het huurprijswijzigingsbeding, wordt geconfronteerd met een huurvoorstand. Een verhuurder moet hierop bedacht zijn bij het opstellen van een huurovereenkomst. Let wel, dat als het opslagbeding als oneerlijk wordt aangemerkt, het indexeringsbeding gewoon in stand blijft.

De rechter is verplicht om ambtshalve te toetsen of een opslagbeding oneerlijk is, en om te beslissen of het beding daarom buiten toepassing moet blijven. De Hoge Raad heeft in dat verband benadrukt dat de rechter niet bevoegd is om (ook) ambtshalve een huurachterstand te verrekenen met de vordering die de huurder na vernietiging van het beding heeft, vanwege onterechte en dus onverschuldigde betalingen die hij in het verleden heeft gedaan. De huurder moet hier expliciet een beroep op doen.

Conclusie

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat een huurprijswijzigingsbeding dat voorschrijft dat de huurprijs jaarlijks wordt verhoogd op basis van de consumentprijsindex (CPI) en met een extra opslag van maximaal 3%, in beginsel niet oneerlijk is. De indexatie en opslag staan los van elkaar, en dienen apart te worden beoordeeld op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Als blijkt dat een (opslag)beding oneerlijk is, dan dient het buiten beschouwing te worden gelaten.

Meer informatie

Bent u verhuurder en wenst u advies over uw huurprijswijzigingsbeding? Neem gerust contact met ons op.

[1] Rechtbank Amsterdam 11 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:129 en 11 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:131.
[2] Hoge Raad 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780.

Gerelateerde blogs

Vorige slide
Volgende slide

29 september 2026

Contractuele medehuur: wat houdt het in en welke gevolgen heeft het?

Wanneer twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst aangaan, is sprake van contractuele medehuur. Beide medehuurders staan dan op het contract en zijn ieder partij bij de huurovereenkomst. In dit artikel ga ik nader in op contractuele medehuur en wat dit betekent voor de huurders en verhuurder.

Lees meer

Lees meer over

26 september 2026

Contractuele medehuur en de scheidingsregel: een vervolg

In een eerder artikel schreef ik reeds over de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021, waarin werd geoordeeld dat contractuele medehuurders een beroep kunnen doen op de scheidingsregel van artikel 7:267 lid 7 BW.

Lees meer

Lees meer over

1 september 2026

Wet Modernisering Servicekosten per 1 januari 2027: wat betekent dit voor u?

Per 1 januari 2027 treedt de Wet Modernisering Servicekosten in werking. Deze wet is relevant voor iedereen die te maken heeft met servicekosten in huurrelaties, zoals verhuurders, huurders, beheerders en adviseurs.

Lees meer

Lees meer over

18 augustus 2026

Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik

Voor een succesvol beroep op de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik (art. 7:296 lid 1 sub b BW) moet de verhuurder voldoende aannemelijk maken dat hij de wil heeft tot het dringend persoonlijk en duurzaam in gebruik nemen van het gehuurde.

Lees meer

Lees meer over

20 juli 2026

Een mondelinge huurovereenkomst; mag dat?

Als een verhuurder en huurder overeenstemming bereiken over de huur van een pand, dan wordt daarna doorgaans een schriftelijke huurovereenkomst opgesteld. Daarmee is voor de verhuurder en voor de huurder in de toekomst duidelijk welke afspraken tussen hen gelden.

Lees meer

Lees meer over
Alle artikelen