De zogeheten werkingssfeerbepalingen van de Bpf-en blinken niet altijd uit in helderheid. Niet voor niets zijn er zoveel procedures over de vraag of een onderneming zich verplicht moet aansluiten bij een Bpf. Het gaat daarbij vaak ook om tonnen aan mogelijk, met terugwerkende kracht, te betalen pensioenpremie. De Hoge Raad heeft op 22 mei 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de reikwijdte van verplichte pensioenregelingen die in de tekst geen ondergrens kennen. Die uitspraak biedt mogelijkheden voor werkgevers.
Pensioenfondsen zonder hoofdzaakcriterium
Een aantal verplichte pensioenregelingen kent in de werkingssfeer geen zogeheten hoofdzaakcriterium. Dat betekent: hoe klein ook de omzet van de onderneming in die bepaalde bedrijfstak, tóch moet de onderneming voor alle werknemers verplicht pensioenpremie aan dat Bpf betalen. Terwijl die onderneming misschien al een eigen verzekerde pensioenregeling heeft. Bijvoorbeeld Bpf PFZW kent deels geen hoofdzaakcriterium. Hetzelfde geldt voor Bpf Vlakglas en VLEP. Een bekend pensioenfonds zonder ondergrens in de verplichtstelling is Bpf MITT (textiel).
Bpf MITT
Tientallen procedures voerde Bpf MITT de afgelopen jaren tegen ondernemers die vaak maar marginale activiteiten ontplooien op het gebied van textiel. Vaak gaf de rechter MITT gelijk want de tekst van de verplichtstelling kent geen ondergrens. Daar kan nu verandering in komen. Dat kan ook gelden voor ondernemers die marginale activiteiten verrichten binnen de bedrijfstak van andere pensioenfondsen die evenmin een hoofdzaakcriterium kennen.
Geen feitelijke ondergrens is onaannemelijk rechtsgevolg
De Hoge Raad oordeelt in de MITT-uitspraak van 22 mei 2026 namelijk dat ook als een verplichtstellingsbesluit geen hoofdzaakcriterium kent, de tekst met toepassing van de cao-norm toch zo moet worden uitgelegd dat er een zekere ondergrens geldt. Daar is volgens de Hoge Raad reden voor vanwege de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg waarbij helemaal geen ondergrens zou bestaan. Dus niet langer valt iedere onderneming met maar heel weinig activiteiten of omzet in de textiel, onder Bpf MITT. De Hoge Raad oordeelt uiteindelijk: een onderneming valt niet onder Bpf MITT als zij, in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren, slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit.
Betekenis voor ondernemingen; benut criterium “verwaarloosbare activiteiten”
Dit betekent voor de praktijk dat ook al staat er in de tekst van een verplichtstellingsbesluit geen expliciet hoofdzaakcriterium, er tóch feitelijk een ondergrens geldt. De vraag is nu alleen hoe die ondergrens moet worden vastgesteld. Wat zijn “verwaarloosbare” activiteiten? Is dat 1%, of minder, of 20%, of alles onder een hoofdzaakcriterium van 50%? De Hoge Raad heeft dit niet ingevuld. De komende maanden zal blijken hoe rechters de ondergrens van “verwaarloosbaar” gaan invullen. Voor ondernemers die door Bpf MITT of een ander Bpf zonder hoofdzaakcriterium worden gesommeerd om bij het Bpf aan te sluiten, geldt: met een beroep op uw “verwaarloosbare” bedrijfsactiviteiten op het terrein van een bepaald Bpf, kan uw onderneming mogelijk aan verplichte aansluiting ontkomen (en de eigen verzekerde pensioenregeling behouden).
Doe een Bpf-check
Is uw onderneming door Bpf MITT of een ander Bpf zonder hoofdzaakcriterium aangeschreven of gedwongen pensioenpremie aan dat Bpf af te dragen, laat nagaan of dat wel klopt op basis van dit nieuwe criterium van de Hoge Raad. Sowieso is het verstandig als ondernemer regelmatig te (laten) checken of u met uw bedrijfsactiviteiten onder een Bpf valt. Bij de start van uw onderneming maar ook bij uitbreiding of beperking van bedrijfsactiviteiten of na een fusie, dient dit gecheckt te worden. Zodat u zeker weet of en zo ja aan welk Bpf u pensioenpremie moet betalen en voorkomt u eventuele kostbare verrassingen.
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact met ons op.